ECLI:NL:RBDHA:2026:4794

ECLI:NL:RBDHA:2026:4794

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer NL25.9186
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Asielaanvraag – discriminatie als staatloze Palestijn – vrees voor inlichtingendienst – feitelijke toegang tot land – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.9186

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),

en

(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 23 oktober 2023.

Bij besluit van 4 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.

Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep mede betrekking op het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1989. Hij is staatloos. Op 23 oktober 2023 heeft hij een asielaanvraag ingediend.

2. Aan de asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is Palestijn. Hij is geboren en opgegroeid in Jordanië. In Jordanië werd eiser gediscrimineerd vanwege zijn afkomst. In 2012 is hij vertrokken naar Saoedi-Arabië. Hij is met een Syrische vrouw getrouwd en hij heeft twee kinderen gekregen. In 2023 zijn eisers vrouw en kinderen naar Jordanië gereisd, waarna eiser een week later ook naar Jordanië is gereisd. Eiser heeft geld moeten betalen om zijn vrouw Jordanië in te kunnen laten reizen. Het paspoort van zijn vrouw is daarbij ingenomen. Eiser is daarna bedreigd door de een persoon werkzaam bij de inlichtingendienst, omdat hij geen smeergeld wil betalen voor het terugkrijgen van het paspoort van zijn vrouw. Vanwege de discriminatie en omdat eisers vrouw in Jordanië niet met hem mag leven, heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Verweerder heeft Jordanië als land van gebruikelijk verblijf aangemerkt. De ondervonden discriminatie vanwege eisers Palestijnse afkomst en de problemen vanwege het paspoort van zijn vrouw heeft verweerder ook geloofwaardig geacht. Dit maakt volgens verweerder echter niet dat eiser bij terugkeer naar Jordanië een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. De ondervonden discriminatie heeft namelijk geen dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden van eiser gevormd dat het voor hem niet mogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verder heeft eiser de vrees voor de inlichtingendienst vanwege het paspoort van zijn vrouw niet aannemelijk gemaakt.

4. Eiser voert daartegen aan dat hij als staatloze Palestijn niet kan terugkeren naar Jordanië. Jordanië erkent eiser namelijk niet als burger en pogingen van eiser om middels een volmacht zijn tijdelijke paspoort te laten verlengen zijn mislukt. Daarnaast wijst eiser op het IB 2024/69 waaruit blijkt dat Jordanië geen veilig derde land is. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat de leefomstandigheden in Jordanië voor staatloze Palestijnen zijn verbeterd. Eiser verwijst hierbij naar stukken van US Department of State van 12 augustus 2025 en Amnesty International van 29 april 2025. Ook wijst eiser op een rapport van Fafo van 28 november 2019 waaruit onder meer blijkt dat de leefomstandigheden moeilijk zijn in het kamp [naam] , waar eiser heeft gewoond. In Jordanië heeft eiser wel degelijk ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheden ondervonden die het voor hem onmogelijk maken om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Ten aanzien van de vrees voor de inlichtingendienst voert eiser aan dat dit ten onrechte niet als zelfstandig asielmotief is aangemerkt. Verder heeft verweerder ten onrechte overwogen dat eiser de bedreigingen niet heeft onderbouwd, nu hij een geluidsfragment en screenshots heeft overgelegd waaruit de bedreigingen blijken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Beroep tegen niet-tijdig beslissen

5. Ter zitting heeft eiser het beroep ingetrokken voor zover dit ziet op het niet-tijdig beslissen. Daarbij heeft eiser gelijktijdig een verzoek gedaan om een proceskostenveroordeling.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van eiser heeft beslist. Nu eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen en verweerder is aan eiser tegemoetgekomen door alsnog te beslissen hangende het beroep, zal het verzoek om een proceskostenveroordeling worden toegewezen.

Beroep tegen het bestreden besluit

IB 2024/69

7. De verwijzing van eiser naar IB 2024/69 over de beoordeling van Jordanië als veilig derde land treft geen doel. In het geval van eiser is Jordanië namelijk niet als veilig derde land aangemerkt, maar als land van gebruikelijk verblijf. Eiser heeft verder niet betwist dat Jordanië in zijn geval als land van gebruikelijk verblijf kon worden aangemerkt.

Discriminatie

8. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser als staatloze Palestijn in Jordanië weliswaar discriminatie ondervindt, maar dat de ernst daarvan niet zodanig is dat hij daarom in aanmerking komt voor een asielvergunning. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie dusdanig ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Jordanië te kunnen functioneren. De verwijzingen van eiser naar stukken van US Department of State, Amnesty International en Fafo maken dit niet anders. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat zijn gezin momenteel kampt met de problemen die worden beschreven in deze stukken. Uit de verklaringen van eiser volgt namelijk dat zijn gezin toegang heeft tot onderdak, onderwijs en gezondheidszorg. Ook volgt uit zijn verklaringen dat hij tot 2011 ook zelf in Jordanië heeft kunnen leven. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat niet gebleken is dat het voor eiser niet mogelijk zal zijn om in Jordanië te functioneren.

9. Eiser heeft in zijn beroepsgronden betoogd dat hij in het kamp [naam] heeft gewoond, maar ter zitting heeft hij toegelicht dat dit niet juist is en dat hij daar slechts in de buurt heeft gewoond. Voor zover eiser heeft verwezen naar de omstandigheden binnen dit kamp, leidt dit dan ook niet tot een ander oordeel.

Vrees voor inlichtingendienst

10. Verweerder heeft de vrees van eiser voor de inlichtingendienst niet als zelfstandig asielmotief hoeven aanmerken. Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door eiser beschreven problemen voortvloeien uit het asielmotief ‘problemen vanwege het paspoort van vrouw’ en dat deze bedreigingen daarom geen eigen asielmotief vormen.

11. Verweerder heeft terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser te vrezen heeft bij terugkeer naar Jordanië vanwege bedreigingen door de inlichtingendienst. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het geluidsfragment en de screenshots niet volgt dat daadwerkelijk een medewerker van de inlichtingendienst een bedreiging uit jegens eiser. Verweerder heeft het geluidsfragment terecht niet aangemerkt als objectief verifieerbare bron en overwogen dat eenieder dit kan hebben ingesproken.

Daarnaast heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser al twee jaar niets heeft vernomen vanuit de inlichtingendienst en dat ook zijn gezin in Jordanië geen problemen heeft ondervonden met de inlichtingendienst. De stelling van eiser dat dit niet betekent dat hij niet gevonden kan worden door de inlichtingendienst, is onvoldoende om de vrees aannemelijk te maken.

Feitelijke toegang tot Jordanië

12. Tot slot slaagt ook de beroepsgrond niet dat eiser als staatloze Palestijn niet kan terugkeren naar Jordanië. De feitelijke toegang tot een land maakt namelijk geen onderdeel uit van de beoordeling in de asielprocedure. Eiser zal zich na afloop van deze asielprocedure kunnen wenden tot de Jordaanse autoriteiten. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om bij het bestreden besluit ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning te verlenen aan eiser op basis van het criterium van buiten schuld.

Conclusie

13. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond.

14. Zoals onder 6 is overwogen, wordt verweerder veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de asielaanvraag. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen, met een waarde van € 934 per punt en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.

Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.F.Th. de Roos

Griffier

  • mr. W. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?