RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9181
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Onzorgvuldige voorbereiding
1. Eiser voert aan dat het opleggen van de maatregel onzorgvuldig is voorbereid en daarmee onrechtmatig is. Eiser is namelijk op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 in bewaring gesteld omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling spitst zich echter toe op het onderzoek of eiser alsnog uit eigen beweging zal voldoen aan zijn terugkeerverplichting. Ook de motivering van de gronden van bewaring zijn toegespitst op het risico dat eiser niet uit eigen beweging zal terugkeren naar zijn land van herkomst. Dit geldt tot slot ook voor de motivering van de beoordeling waarom een lichter middel niet toereikend is geacht om te verzekeren dat eiser beschikbaar zou blijven gedurende het onderzoeken van de asielaanvraag van eiser. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026.
De rechtbank stelt vast dat uit haar systeem blijkt dat er hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak waar eiser naar verwijst. Bovendien gaat het om een enkele uitspraak van een rechtbank. Ook los daarvan ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling niet te relateren is aan eisers asielaanvraag. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling (M110) volgt dat de verbalisant heeft gevraagd waarom eiser asiel heeft aangevraagd. Ook is besproken waarom geen lichter middel is opgelegd, omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat het beoogde resultaat, namelijk terugkeer naar het land van herkomst, niet zal worden behaald. In dat kader is eisers medische situatie en familiesituatie besproken. Dit zijn relevante vragen voor de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000. Bovendien heeft de minister eiser één dag na het doen van zijn asielaanvraag gehoord.
De rechtbank volgt eiser verder ook niet in zijn standpunt dat de bewaringsmaatregel onzorgvuldig is voorbereid omdat deze zich toespitst op het risico dat eiser niet uit eigen beweging terugkeert naar zijn land van herkomst. In de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd wordt weliswaar genoemd dat het risico bestaat dat eiser de voorbereidingen van vertrek zal ontwijken of belemmeren, maar er wordt ook gesproken over het risico op onttrekking, hetgeen relevant is voor de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000. Eiser heeft verder de zware en lichte gronden niet betwist en deze zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Niet valt in te zien dat de minister niet heeft begrepen dat er voor verschillende bewaringsgrondslagen specifieke vereisten gelden.
De informatieplicht en het zicht op uitzetting
2. Eiser voert aan dat de minister zijn informatieplicht zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. De minister heeft niet tijdig het volledige dossier aangeleverd. Eiser wijst ook op artikel 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht (Procesreglement), waaruit volgt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig overgelegd dienen te worden. Tijdens de zitting heeft eiser er specifiek op gewezen dat het verslag van het aanmeldgehoor van 27 februari 2026 en het uitgebrachte voornemen van 1 maart 2026 – waarin staat dat de minister voornemens is om de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren – pas op 2 maart 2026 aan het rechtbankdossier zijn toegevoegd. Daarnaast heeft de minister nagelaten om stukken te overleggen waaruit blijkt of er zicht op uitzetting bestaat en heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 8:42 van de Awb en artikel 8.4 van het Procesreglement volgt dat het aan de minister is om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hieraan voldaan.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken – in overeenstemming met artikel 8.4 van het Procesreglement – tijdig ingediend, met uitzondering van het verslag van het aanmeldgehoor en het voornemen. Dat deze stukken na de termijn genoemd in het Procesreglement zijn ingediend, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat eiser door deze overschrijding in zijn processuele belangen is geschaad. Het voornemen dateert namelijk van 1 maart 2026. De minister kon dit stuk dan ook niet indienen voor het tijdstip, zoals genoemd in het Procesreglement (uiterlijk de derde werkdag vóór de zitting, om 16:00 uur). Alleen ten aanzien van het verslag van het aanmeldgehoor kan worden gesteld dat dit voor het tijdstip, bedoeld in het Procesreglement, aan het dossier had kunnen worden toegevoegd. De rechtbank acht het in dit geval aanvaardbaar dat de minister kort voor de zitting dit stuk aan het dossier heeft toegevoegd. De rechtbank acht daarbij van belang dat de bewaringsprocedure zich kenmerkt door zeer korte termijnen en dat eiser niet concreet heeft gemaakt op welke wijze hij in dit geval in zijn belangen is geschaad. Eisers stelling tijdens de zitting – dat de minister bij de oplegging van elke maatregel zich al moet voorbereiden op het beroep dat mogelijk wordt ingesteld – wordt niet gevolgd. Voor een dergelijk vereiste bestaat immers geen grondslag. Dat beroep ingesteld kan worden tegen een maatregel brengt niet mee dat de minister bij voorbaat gehouden is zijn om zich zodanig voor te bereiden op een mogelijke rechterlijke toetsing ten tijde van de oplegging van de maatregel.
Voor zover eiser betoogt dat de minister onvoldoende documenten heeft overgelegd om te controleren of er sprake is van zicht op uitzetting, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juni 2016 en 30 mei 2024 waaruit volgt dat, anders dan eiser lijkt te stellen, zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000. Uit deze uitspraken volgt ook dat de minister bij een bewaring krachtens deze bepaling niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. Dat eiser ter zitting heeft betoogd dat sprake is van een op voorhand kansloze asielaanvraag, wat hier ook van zij, verandert dat niet. De minister is immers gehouden op deze asielaanvraag te beslissen en in die periode geldt de jurisprudentie zoals hierboven genoemd. De beroepsgrond slaagt niet. Verder heeft eiser niet toegelicht dat er geen sprake is van zicht op uitzetting in dit geval of welke stukken hij hierover mist in het dossier. Ook heeft eiser niet toegelicht waarom de minister in dit geval onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.