RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10145
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ingetrokken beroepsgrond
1. De rechtbank stelt vast dat eiser het betoog met betrekking tot het motiveringsgebrek vanwege het ontbreken van een kenbare toets van het non-refoulementbeginsel op de zitting heeft laten vallen.
Werkt de onrechtmatigheid van de vorige maatregel door in de huidige maatregel?
2. Eiser voert aan dat de onrechtmatigheid van de vorige maatregel doorwerkt in onderhavige maatregel, omdat er sprake is van een ernstige schending van het recht op vrijheid. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorige maatregel van 18 februari 2026 tot en met 23 februari 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. Eiser heeft ook op 18 februari 2026 zijn asielwens kenbaar gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de onrechtmatigheid van de vorige maatregel in dit geval niet doorwerkt in de huidige maatregel. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel werkt namelijk alleen door als het vastgestelde gebrek van de eerdere maatregel een ernstige schending oplevert van het (fundamentele) recht om in vrijheid te worden gesteld als de bewaring onrechtmatig is. Naar het oordeel van de rechtbank is in eisers geval geen sprake van zo’n ernstige schending. Zoals eiser stelt is de vorige maatregel zes dagen te laat omgezet, hiervoor is schadevergoeding aangeboden. Naar vaste rechtspraak van levert de relatief korte periode dat eiser zonder juiste grondslag is vastgehouden op zichzelf geen ernstige schending op. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 september 2023. In die zaak leidde een periode van negen dagen onrechtmatige bewaring niet tot het oordeel dat sprake was van een ernstige schending. De rechtbank ziet in het geval van eiser geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft de minister in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
De rechtbank stelt vast dat de minister de zware grond 3i op de zitting heeft laten vallen.
Eiser heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister stelt heeft eiser geen gebruik gemaakt van een geldig grensoverschrijdingsdocument. Dat eiser – zoals hij aanvoert – in Nederland is als asielzoeker doet daaraan niet af. Eiser stelt immers zijn Nigeriaanse paspoort tijdens een eerder bezoek aan Nederland te zijn kwijtgeraakt. Ook de zware grond 3c is feitelijk juist en mocht daarom worden tegengeworpen. Eiser heeft namelijk op 14 juli 2023 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen. Eiser heeft tot op heden geen gevolg gegeven aan het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en de daaruit volgende verplichting om Nederland te verlaten. Voor de zware gronden 3a en 3c is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister met een lichter middel kunnen volstaan?
4. Eiser voert aan dat de minister had kunnen volstaan met een lichter middel. Eiser is immers in afwachting van zijn asielaanvraag, waardoor er op dit moment geen vertrekplicht op hem rust. Daarom had een meldplicht opgelegd kunnen worden. Eiser belangen zijn onvoldoende meegewogen in de belangenafweging.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het onttrekkingsrisico bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling is volgens de minister te groot. De stelling van eiser dat een meldplicht passender zou zijn, slaagt dan ook niet vanwege dit onttrekkingsrisico. Dat eiser in afwachting is van zijn asielaanvraag is ook geen reden om geen maatregel op te leggen. De bewaring is immers opgelegd met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van zijn asielaanvraag.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.