RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8717
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
1. Eiser is een zogenoemde derdelander uit Oekraïne. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de tijdelijke bescherming en meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024, ondanks de nieuwe argumenten die eiser in deze procedure daartegen heeft aangevoerd. Ook oordeelt de rechtbank dat verweerder aan eiser het meest recente terugkeerbesluit heeft kunnen uitvaardigen. Het terugkeerbesluit levert geen strijd op met eisers gezins- en privéleven en is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ambtshalve heeft de rechtbank geoordeeld dat het beginsel van non-refoulement niet is geschonden. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de tijdelijke bescherming voor hem is geëindigd na 4 maart 2024 en is aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit.
In het besluit van 24 juli 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en heeft hij aan eiser een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
In het besluit van 1 september 2025 heeft verweerder het besluit van 24 juli 2025 ingetrokken en heeft hij aan eiser een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, de tolk R. Lacin en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging aan de zaak vooraf?
3. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit).
In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling oordeelde ook dat er geen toezeggingen door verweerder zijn gedaan waaruit mocht worden afgeleid dat de facultatieve tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur van de tijdelijke bescherming is bereikt en dat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen plaats is. In het arrest in de zaak Kaduna van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) naar aanleiding van vragen van onder meer de Afdeling overwogen dat lidstaten de verleende facultatieve tijdelijke bescherming mogen intrekken zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht in acht worden genomen. Lidstaten zijn niet verplicht de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming af te stemmen op de duur van de verplichte tijdelijke bescherming. Ook heeft het Hof overwogen dat het lidstaten niet is toegestaan om een terugkeerbesluit uit te vaardigen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming voor de derdelanders uit Oekraïne per 4 maart 2024 te beëindigen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de algemene beginselen van het Unierecht daarbij niet in acht zijn genomen.
In afwachting van het arrest van het Hof en de uitspraken van de Afdeling heeft verweerder besloten de beëindiging van de tijdelijke bescherming te bevriezen. In een brief aan de Tweede Kamer van 3 juni 2025 heeft verweerder aan de Kamer bericht dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025.
Wat betrekt de rechtbank bij de beoordeling?
4. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1985. Hij was in het bezit van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne. Op 21 april 2021 is hij gehuwd met een Oekraïense vrouw. Zijn echtgenote is na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne blijven wonen.
Op 19 juli 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 1 september 2023 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. Daarmee staat de buiten behandelingstelling van de asielaanvraag in rechte vast.
Eiser heeft facultatieve tijdelijke bescherming genoten op grond van de RTB. In het besluit van 1 september 2023 is besloten de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023 en aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep (NL23.27076) in gesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening (NL23.27077) ingediend. In de brief van 24 januari 2024 heeft verweerder aan eiser bericht dat het besluit van 1 september 2023 is ingetrokken en dat eiser recht heeft op tijdelijke bescherming tot 4 maart 2024. Op 12 februari 2024 heeft eiser het beroep (NL23.27076) ingetrokken en op 19 maart 2024 het verzoek (NL23.27077).
Op 7 februari 2024 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de tijdelijke bescherming voor hem is geëindigd na 4 maart 2024 en is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft tegen dit besluit het onderhavige beroep ingesteld. Bij besluit van 25 juli 2025 is het eerdere terugkeerbesluit ingetrokken en is aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Bij besluit van 1 september 2025 is het eerdere terugkeerbesluit ingetrokken en is aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (NL25.46765). Dit beroep heeft eiser op de zitting van 28 januari 2026 ingetrokken.
Wat is het standpunt van verweerder?
5. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling overwogen dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Evenmin is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning. Dit betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Daarom heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Er is geen sprake van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer het risico loopt op refoulement.
Heeft eiser procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep gericht tegen de besluiten van 7 februari 2024 en 24 juli 2025?
6. Verweerder heeft zijn terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken, omdat dit besluit te vroeg was genomen, en heeft op 24 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd. In dat besluit staat dat dit besluit het eerdere terugkeerbesluit vervangt. De rechtbank merkt het besluit van 24 juli 2025 aan als een besluit tot vervanging als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep dat is ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ziet daarom ook op dit besluit. Op 1 september 2025 heeft verweerder het besluit van 24 juli 2025 echter ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit van 24 juli 2025. Eiser kan niet meer of anders bereiken dan met het intrekken van dit besluit al is bereikt. Het beroep is in zoverre daarom niet-ontvankelijk. Eiser stelt zich echter ook op het standpunt dat zijn tijdelijke bescherming later eindigt dan op 4 maart 2024. In zoverre heeft het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 nog procesbelang.
Is de tijdelijke bescherming geëindigd per 4 maart 2024?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de facultatieve tijdelijke bescherming niet mag eindigen per 4 maart 2024 en heeft zich beroepen op het gelijkheids-, loyaliteits-, motiverings-, rechtszekerheid- en het evenredigheidsbeginsel. In dit kader voert hij aan dat er binnen de lidstaten geen consensus bestaat over de toepassing van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Zo verlenen lidstaten zoals Griekenland en Hongarije nog steeds tijdelijke bescherming aan derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning voor Oekraïne op de peildatum. Ook wijst eiser op de Zweedse en Hongaarse taalversies van de considerans van het Uitvoeringsbesluit en van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Door de verschillende taalversies lopen de reikwijdte en modaliteiten van de nationale bevoegdheid tot beëindiging van tijdelijke bescherming voor derdelanders uiteen. Eiser is van mening dat Nederland is gehouden tot een richtlijn conforme en gunstig geïnterpreteerde toepassing. Dat betekent dat Nederland de interpretatie moet kiezen die het meeste recht doet aan de positie van eiser. Voorts wijst eiser op artikel 28 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) waaruit volgt dat verweerder bij moeilijkheden of twijfels over de uitvoering eerst de Europese Raad moet consulteren voordat een besluit wordt genomen om de tijdelijke bescherming te beëindigen. Verweerder heeft dat ten onrechte niet gedaan, terwijl Nederland duidelijk uitvoeringsproblemen heeft. Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat het Uitvoeringsbesluit niet uitvoerbaar is. Onder verwijzing naar het arrest Kucukdeveci is eiser van mening dat verweerder ten onrechte de Unierechtelijke rechtsbeginselen niet toegepast.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aan eiser verleende facultatieve tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het Hof in het arrest Kaduna geoordeeld dat lidstaten bevoegd zijn om de facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen en heeft de Afdeling in haar uitspraken van 23 april 2025 haar eerdere oordeel van 17 januari 2024 bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft aangegeven dat hij per 3 mei 2024 in het bezit is gesteld van een permanente verblijfsvergunning voor Oekraïne. Dit is niet betwist door verweerder. Dit doet echter niet af aan het feit dat eiser blijft behoren tot de categorie ontheemden uit Oekraïne aan wie facultatieve tijdelijke bescherming is verleend welke is geëindigd op 4 maart 2024. De permanente verblijfsvergunning is immers verstrekt na de peildatum van 23 februari 2022 waardoor eiser tot deze categorie blijft behoren. Dat eiser voor de peildatum in het bezit zou zijn of had moeten zijn van een verblijfsstatus in Oekraïne, is niet concreet onderbouwd.
Het Hof was bekend met de Nederlandse toepassing van de RTB en het Uitvoeringsbesluit waarbij ontheemde derdelanders die op 23 februari 2022 geen permanente verblijfsvergunning hadden via de facultatieve regeling tijdelijke bescherming kregen. Het Hof heeft vervolgens deze toepassing niet onverenigbaar geacht met het Unierecht. Immers, het Hof heeft de gestelde vragen over het onverplicht bieden van tijdelijke bescherming aan deze ontheemden uit Oekraïne en het beëindigen hiervan, beantwoord. Het Hof heeft kennelijk geen aanleiding gezien om een vergelijking van de verschillende taalversies te maken om te bezien of de taalversies van het Uitvoeringsbesluit gelijkluidend zijn met betrekking tot de kring van RTB-begunstigden. Voor zover de taalversie van andere lidstaten een ruimer toepassingsbereik van de RTB voorschrijven, betekent dit niet dat alle lidstaten deze taalversie moeten toepassen.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet gehouden was om conform artikel 28, vijfde lid, van het VEU vanwege ernstige moeilijkheden of twijfels over de uitvoering van het Uitvoeringsbesluit, eerst de Raad te consulteren voordat kon worden overgegaan tot het beëindigen van de bescherming. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit niet uit de RTB noch uit het Uitvoeringsbesluit. Ook heeft het Hof geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming mocht beëindigen. De gestelde uitvoeringsproblemen zijn daarmee niet gebleken.
Wat betreft eisers stelling dat er tussen de lidstaten geen consensus bestaat over de toepassing van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit, wijst de rechtbank erop dat de Uniewetgever ervoor heeft gekozen om te voorzien in een facultatieve bepaling. Dat betekent dat de lidstaten de bevoegdheid hebben om aan meer categorieën van ontheemden tijdelijke bescherming te bieden. De lidstaten hebben daar een keuzevrijheid in. De lidstaten hoeven niet op dezelfde wijze invulling te geven aan de facultatieve bepaling.
Ten slotte wijst de rechtbank op de uitspraken van 17 januari 2024 en 23 april 2025 waarin de Afdeling heeft overwogen dat het beëindigen van de onverplichte tijdelijke bescherming niet in strijd is met het Unierechtelijke rechtszekerheids en/of vertrouwensbeginsel. Dit is nadien nog meerdere keren herhaald door de Afdeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Aan een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval wordt niet toegekomen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder op 1 september 2025 een nieuw terugkeerbesluit aan eiser kunnen uitvaardigen?
8. In het besluit van 1 september 2025 staat dat dit besluit het eerdere terugkeerbesluit vervangt. De rechtbank merkt dit besluit aan als een besluit tot vervanging als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 ziet daarom ook op het besluit.
Eiser stelt dat bij het terugkeerbesluit onvoldoende rekening is gehouden met zijn gezins- en privéleven. Hij voert aan dat zijn Oekraïense vrouw in Oekraïne is gebleven voor een behandeling aan borstkanker en zij daarom niet naar Nederland kan komen. Inmiddels heeft eiser een permanente verblijfsvergunning voor Oekraïne. De RTB voorziet in bescherming van gezinsleden van tijdelijk beschermde Oekraïners. Het weigeren van bescherming op grond van RTB als derdelander en het weigeren om eiser als gezinslid van een Oekraïense aan te merken leidt in de praktijk tot een feitelijke scheiding van echtgenoten, waarbij juist de ernstig zieke echtgenote zonder steun wordt achtergelaten. Zij is emotioneel, financieel en praktisch afhankelijk van eiser. Het is bovendien wrang dat verweerder stelt dat de echtgenote "maar naar Nederland moet komen", terwijl dit medisch gezien uitgesloten is. Daarmee legt verweerder de gevolgen van haar ziekte geheel bij eiser neer en miskent hij de realiteit van de situatie. Er is geen sprake van een fair balance omdat de belangen van eiser en zijn ernstig zieke vrouw niet zijn meegewogen. Vanuit Nigeria zou het voor eiser veel moeilijker zijn om zijn vrouw te steunen. Verder voert eiser aan dat hij sinds zijn aankomst in Nederland als vrijwilliger betrokken is bij Stichting UAID, een Nederlands-Oekraïense organisatie die zich inzet voor vluchtelingen uit Oekraïne. Zijn langdurige verbondenheid met Oekraïne en zijn bijdrage aan de Oekraïense gemeenschap in Nederland maken dat zonder een belangenafweging ten aanzien van dit privéleven geen rechtmatig besluit kan worden genomen. Ook wijst eiser op zijn verlies van werk, verblijf en bestaanszekerheid. Eiser stelt daarnaast dat het terugkeerbesluit gezien zijn persoonlijke situatie en die van zijn echtgenote in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Het terugkeerbesluit en artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn
De rechtbank wijst op artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn waarin het volgende is bepaald:
Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:
a. a) het belang van het kind;
b) het familie- en gezinsleven;
c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land,
en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.
De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling of verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit voldoende rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, het gezinsleven en/of het privéleven, geen verband houdt met een beoordeling of een verblijfsrecht bestaat op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Terugkeerrichtlijn ziet niet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf. Aan deze richtlijn kan geen verblijfsrecht worden ontleend.
Met betrekking tot het gezinsleven dat eiser met zijn Oekraïense vrouw uitoefent overweegt de rechtbank als volgt. Ter beoordeling ligt voor of verweerder bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit voldoende rekening heeft gehouden met het gezinsleven dat eiser uitoefent met zijn echtgenote. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Eiser oefent het gezinsleven met zijn echtgenote niet in Nederland uit. Zijn echtgenote verblijft namelijk in Oekraïne. Hoewel het terugkeerbesluit ziet op een terugkeer van eiser naar Nigeria staat het eiser vrij om naar Oekraïne te gaan en daar het gezinsleven uit te oefenen. Eiser is op grond van zijn permanente verblijfsvergunning verblijf in Oekraïne toegestaan. Dat de echtgenote volgens eiser niet naar Nederland kan komen vanwege haar medische situatie, heeft verweerder daarom niet hoeven betrekken. Op zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het makkelijker is om het gezinsleven met zijn echtgenote vanuit Nederland uit te oefenen dan vanuit Nigeria. Dit heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om af te zien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit.
Met betrekking tot het privéleven dat eiser heeft uitgeoefend tijdens zijn verblijf in Nederland overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet expliciet is benoemd dat het recht op het uitoefenen van privéleven ook betrokken moet worden bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, volgt uit rechtspraak van het Hof en de Afdeling dat moet worden nagegaan of het recht op privéleven zich verzet tegen een terugkeerbesluit. Dat betekent niet dat in het enkele gegeven dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland privéleven heeft opgebouwd, verweerder geen terugkeerbesluit heeft kunnen uitvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om tot een ander besluit te komen. Dat eiser pas na de peildatum in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor Oekraïne en dat zijn vrouw wegens medische omstandigheden niet uit Oekraïne kan vertrekken maakt niet dat privéleven in Nederland dusdanig is dat het terugkeerbesluit daarmee in strijd is. Deze omstandigheden zijn namelijk het gevolg van het vaststellen van een peildatum, waarvoor de Unierechtelijke wetgever bewust heeft gekozen, respectievelijk eisers eigen keuze om niet in Oekraïne bij zijn echtgenote te blijven dan wel de keuze van de echtgenote om niet naar Nederland te komen om hier tijdelijke bescherming te genieten.
De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit en het evenredigheidsbeginsel
Omdat eiser heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit onevenredig is, moet beoordeeld worden of het terugkeerbesluit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het terugkeerbesluit onevenredig is. Verwezen wordt naar het in 8.2.2 en 8.2.3 overwogene. Dat eisers situatie en de situatie van zijn echtgenote heel vervelend is, betekent niet dat de gevolgen van hun keuzes hen niet kunnen worden aangerekend. De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit en het arrest Ararat
De rechtbank is bekend met het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. De rechtbank is in overeenstemming met dit arrest en deze uitspraak nagegaan of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. Daarvan is volgens de rechtbank niet gebleken. Hoewel uit de uitspraak van 2 september 2025 volgt dat de rechtbank de uitkomst van deze beoordeling niet in de uitspraak hoeft te vermelden, heeft de rechtbank er in deze zaak voor gekozen om dit wel te doen. Ondanks dat eiser geen relevante beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het terugkeerbesluit heeft de rechtbank met deze overweging verduidelijkt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn in lijn met het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling ambtshalve is beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 24 juli 2025 is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen de besluiten van 7 februari 2024 en 1 september 2025 is ongegrond.
Omdat verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken omdat dit besluit te vroeg was genomen, heeft eiser wel terecht beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiser krijgt daarom een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en op zitting is verschenen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit 24 juli 2025 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 september 2025 ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.