RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8456
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
1. Eiser is een zogenoemde derdelander uit Oekraïne. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de tijdelijke bescherming en meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat voor zover eisers beroep is gericht tegen het besluit van 7 februari 2024, verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. Eiser heeft niets nieuws aangevoerd ten opzichte van de eerdere procedures hierover. Voor zover het beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit van 18 juli 2025, is het ook ongegrond. Verweerder heeft eiser niet moeten aanbieden om te worden gehoord, omdat hij al een zienswijze kon indienen. Ambtshalve heeft de rechtbank geoordeeld dat het beginsel van non-refoulement en het recht op uitoefening van familie- of gezinsleven niet zijn geschonden. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de tijdelijke bescherming voor hem is geëindigd na 4 maart 2024 en is aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.
Met het besluit van 18 juli 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en heeft hij aan eiser een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging aan de zaak vooraf?
3. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit).
In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling oordeelde ook dat er geen toezeggingen door verweerder zijn gedaan waaruit mocht worden afgeleid dat de facultatieve tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur van de tijdelijke bescherming is bereikt en dat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen plaats is. In het arrest in de zaak Kaduna van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) naar aanleiding van vragen van onder meer de Afdeling overwogen dat lidstaten de verleende facultatieve tijdelijke bescherming mogen intrekken zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht in acht worden genomen. Lidstaten zijn niet verplicht de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming af te stemmen op de duur van de verplichte tijdelijke bescherming. Ook heeft het Hof overwogen dat het lidstaten niet is toegestaan om een terugkeerbesluit uit te vaardigen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming voor de derdelanders uit Oekraïne per 4 maart 2024 te beëindigen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de algemene beginselen van het Unierecht daarbij niet in acht zijn genomen.
In afwachting van het arrest van het Hof en de uitspraken van de Afdeling heeft verweerder besloten de beëindiging van de tijdelijke bescherming te bevriezen. In de brief aan de Tweede Kamer van 3 juni 2025 heeft verweerder aan de Kamer bericht dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025.
Wat betrekt de rechtbank bij de beoordeling?
4. Eiser heeft de Indiase nationaliteit en is geboren op [datum] 1994. Op 30 juni 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 30 mei 2023 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. Daarmee staat de buiten behandelingstelling van de asielaanvraag in rechte vast.
Eiser heeft facultatieve tijdelijke bescherming genoten op grond van de RTB. In het besluit van 28 augustus 2023 is besloten de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023 en is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (NL23.27563). Bij brief van 24 januari 2024 heeft verweerder aan eiser bericht dat het besluit van 28 augustus 2023 is ingetrokken en dat eiser recht heeft op tijdelijke bescherming tot 4 maart 2024. Eiser heeft dit beroep ingetrokken.
Op 7 februari 2024 heeft verweerder het besluit genomen waartegen eiser het onderhavige beroep heeft ingesteld, waarna het bij besluit van 18 juli 2025 is ingetrokken en aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit is uitgevaardigd.
Wat is het standpunt van verweerder?
5. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling overwogen dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Evenmin is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning. Dit betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Daarom heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Er is geen sprake van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer het risico loopt op refoulement.
Heeft eiser procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024?
6. Verweerder heeft het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken, omdat dit besluit vóór 4 maart 2024 en dus te vroeg was genomen. Eiser betwist dat zijn tijdelijke bescherming is geëindigd per 4 maart 2024. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van het besluit van 7 februari 2024 voor zover dat ziet op de beëindiging van de facultatieve bescherming per 4 maart 2024.
Is de tijdelijke bescherming geëindigd per 4 maart 2024?
7. Eiser stelt dat verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn tijdelijke bescherming eindigt per 4 maart 2024. Eiser is van mening dat zijn tijdelijke bescherming doorloopt tot 4 maart 2025.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het Hof in het arrest Kaduna overwogen dat lidstaten bevoegd zijn om de facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen dan de niet-facultatieve tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 haar eerdere oordeel van 17 januari 2024 bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft geen inhoudelijke gronden daartegen ingebracht. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen. De tijdelijke bescherming eindigt dus op 4 maart 2024. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder op 18 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit aan eiser kunnen uitvaardigen?
8. In het besluit van 18 juli 2025 staat dat dit besluit het eerdere terugkeerbesluit vervangt. De rechtbank merkt het aan als een besluit tot vervanging als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep dat is ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ziet daarom ook op dit besluit.
Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord.
Het terugkeerbesluit en recht om daarover te worden gehoord
Uit het voornemen van 4 juni 2025 blijkt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk zijn zienswijze te geven over het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft daar geen gebruik van gemaakt. Niet is gebleken dat de geboden gelegenheid niet volstond en dat eiser daarnaast ook in persoon moest worden gehoord. Met de mogelijkheid tot het geven van een zienswijze heeft verweerder voldaan aan de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit en het arrest Ararat
De rechtbank is bekend met het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. De rechtbank is in overeenstemming met dit arrest en deze uitspraak in het dossier nagegaan of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of dat er sprake van familie- of gezinsleven waar verweerder bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit rekening had moeten houden. Daarvan is volgens de rechtbank niet gebleken. Hoewel uit de uitspraak van 2 september 2025 volgt dat de rechtbank de uitkomst van deze beoordeling niet in de uitspraak hoeft te vermelden, heeft de rechtbank er in deze zaak voor gekozen om dit wel te doen. Ondanks dat eiser geen relevante beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het terugkeerbesluit heeft de rechtbank met deze overweging verduidelijkt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn in lijn met het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling ambtshalve is beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 is ongegrond. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 juli 2025 is ook ongegrond.
Omdat verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken omdat dit besluit te vroeg was genomen, heeft eiser wel terecht beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiser krijgt daarom een vergoeding vaan zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.