ECLI:NL:RBDHA:2026:4808

ECLI:NL:RBDHA:2026:4808

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer NL26.6664
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Lichter middel. Medische problemen; overplaatsing naar een ziekenhuis.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.6664

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),

en

(gemachtigde: J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Bloemers-Brzezinska (1962). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1975.

Grondslag van de maatregel van bewaring

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de grondslag van de maatregel van bewaring. Eiser heeft ook de feitelijke juistheid van de zware en lichte gronden niet betwist. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden, oordeelt de rechtbank dat de bewaring kon worden gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen kunnen de maatregel van bewaring dragen.

Lichter middel

4. Eiser voert allereerst – kort samengevat – aan dat zijn medische omstandigheden rond het eerste weekend van de bewaring dusdanig verslechterden dat hij op 9 februari 2026 vanuit bewaring met spoed naar een extern ziekenhuis is vervoerd. Onder verwijzing naar jurisprudentie stelt eiser dat niet is gebleken dat de minister eisers medische situatie heeft gewogen vanaf het moment dat hij naar het ziekenhuis is vervoerd. Ten onrechte is dus niet gebleken of de minister is nagegaan of met een lichter middel volstaan kon worden en is eiser daarover niet geïnformeerd.

5. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft hoeven volstaan met het opleggen van een lichter middel dan inbewaringstelling en dit in de maatregel van bewaring voldoende heeft gemotiveerd, ook met inachtneming van het ziekenhuisbezoek op 9 februari 2026.

6. De minister heeft zich allereerst namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een lichter middel onvoldoende zekerheid biedt dat eiser zich beschikbaar zal houden voor de Nederlandse autoriteiten. Daarbij is van belang dat de (niet betwiste) gronden die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd een risico op onderduiken onderbouwen.

7. Daarnaast heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser ten aanzien van zijn medische problemen vanuit detentie alle zorg kan krijgen die hij nodig heeft en is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Daarvoor is allereerst van belang dat de enkele stelling van eiser dat zijn medische situatie maakt dat hij niet in bewaring kan blijven, onvoldoende is voor het oordeel dat hij detentieongeschikt is. De stelling is niet met documenten onderbouwd. Evenmin zijn voor zo'n oordeel concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. Ook is van belang dat in de maatregel van bewaring de medische situatie van eiser is betrokken, en hem is medegedeeld dat hij te allen tijde een beroep kan doen op de Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond (FARR) arts zolang hij is ingesloten op een politielocatie en op het medische team dat aanwezig is op het detentiecentrum. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dit blijkt eens te meer uit de verklaring ter zitting van eiser dat hij vanuit bewaring naar het ziekenhuis is gebracht en daar vier uur heeft doorgebracht. Indien nodig voorziet het medische team van het detentiecentrum dus ook in overplaatsing naar een ziekenhuis. Hieruit volgt niet dat eiser onvoldoende toegang heeft tot medische voorzieningen in het detentiecentrum of dat deze in het geval van eiser niet volstaan. Ook is de rechtbank niet gebleken dat eiser niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn medische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Na het ziekenhuisbezoek is eiser op zijn verzoek immers weer teruggekeerd en is hij ter observatie in een cel geplaatst. Ook uit het vertrekgesprek van 10 februari 2026 volgt dat eiser is geplaatst op de OBS van Detentiecentrum Rotterdam vanwege het weigeren van een medische intake en momenteel wordt geobserveerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarendheid

8. Eiser voert verder – kort samengevat – aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. De minister heeft eiser na bijna twee weken van bewaring namelijk nog niet uitgezet. Ook heeft de minister eiser onvoldoende geïnformeerd over waarom de overdracht op zich laat wachten.

9. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De minister heeft namelijk op 10 februari 2026 een vertrekgesprek gevoerd. Diezelfde dag heeft DT&V een vluchtaanvraag verzonden. Deze vluchtaanvraag is gedaan met medische escorte en de uitzetdatum is 20 februari 2026. De minister heeft kunnen overwegen dat de medische situatie van eiser en de daarmee verband houdende medische escorte, een logistieke reden vormt waarom eiser niet sneller kan worden uitgezet. De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend aan eisers overdracht heeft gewerkt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing

10. De rechtbank ziet, ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden, geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd of dat het voortduren daarvan vanaf enig moment voorafgaand aan het sluiten van het onderzoek onrechtmatig is geworden. Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van zijn gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser verzet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, rechter, in aanwezigheid van mr.drs. B.E.C. Bertens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.B.H. Hebbink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?