RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.28503
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
1. Eiser is een zogenoemde derdelander uit Oekraïne. Verweerder heeft besloten eisers tijdelijke bescherming te beëindigen en heeft aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser is het daar niet mee eens.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep voor zover het ziet op het einde van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 en het terugkeerbesluit, omdat de relevante besluiten zijn ingetrokken. Eiser heeft verder rechtmatig verblijf verkregen per 27 augustus 2025, hetgeen een sterker verblijfsrecht inhoudt dan de tijdelijke bescherming. Maar hij heeft wel belang bij de beoordeling of hij in de periode 4 maart 2024 tot 27 augustus 2025 recht heeft gehad op tijdelijke bescherming. Zijn beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming slaagt echter niet.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 18 augustus 2023 is eisers recht op tijdelijke bescherming beëindigd per 4 september 2023.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit. Daarna is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben bericht dat zij niet op zitting verschijnen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging aan de zaak vooraf?
3. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit).
In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling oordeelde ook dat er geen toezeggingen door verweerder zijn gedaan waaruit mocht worden afgeleid dat de facultatieve tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur van de tijdelijke bescherming is bereikt en dat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen plaats is. In het arrest in de zaak Kaduna van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) naar aanleiding van vragen van onder meer de Afdeling overwogen dat lidstaten de verleende facultatieve tijdelijke bescherming mogen intrekken zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht in acht worden genomen. Lidstaten zijn niet verplicht de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming af te stemmen op de duur van de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming voor de derdelanders uit Oekraïne per 4 maart 2024 te beëindigen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de algemene beginselen van het Unierecht daarbij niet in acht zijn genomen.
In afwachting van het arrest van het Hof en de uitspraken van de Afdeling heeft verweerder besloten de beëindiging van de tijdelijke bescherming te bevriezen. In een brief aan de Tweede Kamer van 3 juni 2025 heeft verweerder aan de Kamer bericht dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025.
Wat betrekt de rechtbank bij de beoordeling?
4. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 2002. Op 22 augustus 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft deze aanvraag weer ingetrokken.
Eiser heeft facultatieve tijdelijke bescherming genoten op grond van de RTB. In het besluit van 18 augustus 2023 is besloten de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023. Verweerder heeft meegedeeld geen terugkeerbesluit uit te vaardigen vanwege een lopende aanvraag. Bij brief van 29 januari 2024 en besluit van 4 maart 2024 heeft verweerder aan eiser bericht dat het besluit van 18 augustus 2023 is ingetrokken en dat eiser recht heeft op tijdelijke bescherming tot 4 maart 2024.
Op 22 februari 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor arbeid in loondienst. In het besluit van 21 mei 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. In het besluit van 12 februari 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. In de uitspraak van dezelfde datum als waarop deze uitspraak is gedaan heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep ongegrond verklaard.
Bij besluit van 10 juli 2025 is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Op de zitting van 28 januari 2026 heeft verweerder aangegeven dat eiser op 24 december 2025 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij een partner, geldig van 27 augustus 2025 tot 27 augustus 2030, en dat het terugkeerbesluit van 10 juli 2025 is komen te vervallen.
Heeft eiser procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep?
5. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de vraag of er sprake is van procesbelang het erom gaat of het doel dat eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Procesbelang is er niet als elk belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
De rechtbank is van oordeel dat eiser in deze zaak geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep voor zover het is gericht tegen het terugkeerbesluit van 10 juli 2025. Dit terugkeerbesluit is, zo begrijpt de rechtbank uit hetgeen verweerder ter zitting heeft gesteld, ingetrokken.
In het besluit van 18 augustus 2023 heeft verweerder besloten dat eisers tijdelijke bescherming eindigt per 4 september 2023. Dit besluit is ingetrokken. Eiser kan niet meer of anders bereiken dan met het intrekken van het besluit al is bereikt. In zoverre heeft het beroep ook geen procesbelang.
Voor zover eisers beroep moet worden aangemerkt als mede te zijn gericht tegen de brief van verweerder van 29 januari 2024 en/of het besluit van 4 maart 2024, waarin aan eiser is meegedeeld dat eisers recht op tijdelijke bescherming eindigt op 4 maart 2024, is de rechtbank van oordeel dat eiser wel een belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Weliswaar is het rechtmatig verblijf dat eiser heeft gekregen vanaf 27 augustus 2025 een sterker verblijfsrecht dan hij op grond van de RTB zou kunnen hebben krijgen. Eiser heeft echter volgens deze brief en besluit geen verblijfsrecht in de periode 4 maart 2024 tot 27 augustus 2025. Dit ‘verblijfsgat’ levert een procesbelang op voor eiser.
Is de tijdelijke bescherming geëindigd per 4 maart 2024?
6. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het Hof in het arrest Kaduna overwogen dat lidstaten bevoegd zijn om de facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen dan de niet-facultatieve tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft daarom in haar uitspraken van 23 april 2025 haar eerdere oordeel van 17 januari 2024 bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming eindigt per 4 maart 2024. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat het beëindigen van de onverplichte tijdelijke bescherming niet in strijd is met het Unierechtelijke rechtszekerheid- en/of vertrouwensbeginsel, omdat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan. Dit is nadien nog meerdere keren herhaald door de Afdeling. Eiser heeft geen nieuwe inhoudelijke gronden daartegen ingebracht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 augustus 2023 en het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen de brief van verweerder van 29 januari 2024 en/of het besluit van 4 maart 2024 is ongegrond.
Verweerder heeft het besluit van 18 augustus 2023 gedurende de beroepsprocedure ingetrokken. Ook blijkt uit het dossier dat verweerder op 5 maart 2024 aan eiser een vergoeding heeft aangeboden voor de proceskosten die hij heeft gemaakt voor het indienen van beroep. Daarom houdt de rechtbank het ervoor dat verweerder niet betwist dat eiser terecht beroep heeft ingediend. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 18 augustus 2023 en het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht de brief van verweerder van 29 januari 2024 en/of het besluit van 4 maart 2024ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.