ECLI:NL:RBDHA:2026:4835

ECLI:NL:RBDHA:2026:4835

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer 09/048797-24 en 13/033492-23 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling wegens (de eendaadse samenloop van) medeplegen van mishandeling, medeplegen van bedreiging en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Vrijspraak poging zware mishandeling. Negen maanden gevangenisstraf. Opheffing van schorsing voorlopige hechtenis. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Teruggave van het beslag. Toewijzing tul.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/048797-24 en 13/033492-23 (tul)

Datum uitspraak: 13 maart 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres] ([postcode]) te [woonplaats],

op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting Justitieel Complex [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 mei 2024, 30 juli 2024 (beide pro forma) en 27 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.A. Bruinsma naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 7 mei 2024 - ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,- deze [slachtoffer] meermaals (met kracht) in zijn gezicht en/of tegen zijn lichaam hebben geslagen en/of gestompt; en/of- meermaals (met kracht) met een telefoon in zijn gezicht en/of tegen zijn hoofd heeft geslagen;terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door- deze [slachtoffer] meermaals (met kracht) in zijn gezicht en/of tegen zijn lichaam te slaan en/of te stompen; en/of- meermaals (met kracht) met een telefoon in zijn gezicht en/of tegen zijn hoofd te slaan;

2hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een machete op hem te richten en/of een vuurwapen en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een machete aan hem te tonen;

3

hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer]

- met een vuurwapen en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een machete op hem te richten en/of een vuurwapen en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een machete aan hem te tonen, en/of vast te pakken en/of vast te houden (bij de voordeur van de woning) en/of de woning en/of een kamer in te duwen en/of trekken; en/of

- in die kamer meermaals (met kracht) in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan/stompen, en/of meermaals (met kracht) met een telefoon in het gezicht en/of

tegen het hoofd te slaan, en/of

- en/of (nadat de Politie lijkt te zijn gealarmeerd) de woning uit en/of een park in te trekken en/of duwen en/of geleiden.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en onder 2 en 3 ten laste gelegde, met uitzondering van “dreigen met een vuurwapen en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en het richten hiervan op [slachtoffer]”.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer] over wat er op 10 februari 2024 in Rijswijk tussen hem en de verdachte is voorgevallen betrouwbaar en geloofwaardig. [slachtoffer] heeft na het incident bij de politie gedetailleerd verklaard. Deze verklaring wordt op hoofdlijnen ondersteund door de videobeelden, het geconstateerde letsel en de verschillende getuigenverklaringen. Daarnaast zal de rechtbank bij de beoordeling van het bewijs uitgaan van de bij de politie afgelegde getuigenverklaringen, die kort na het incident door de politie zijn opgemaakt. De getuigenverklaringen die bijna een jaar na het incident zijn afgelegd bij de rechter-commissaris wijken op onderdelen af van de getuigenverklaringen bij de politie. Dit kan te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, ten gevolge van ontstane emoties, of door tijdsverloop. Daarbij hebben de getuigen bij de rechter-commissaris op veel punten opgemerkt dat zij het zich niet meer kunnen herinneren omdat het al zo lang geleden is.

Vaststaat dat de verdachte samen met een ander geweld heeft toegepast op [slachtoffer] en dat [slachtoffer] hierdoor letsel heeft opgelopen.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat het handelen van de verdachte en de medeverdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel tot gevolg had. Zo ontbreekt informatie over bijvoorbeeld de kracht en intensiteit waarmee [slachtoffer] is gestompt en geslagen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal de verdachte hiervan vrijspreken.

Wel levert het voorgaande voldoende wettig en overtuigend bewijs op dat de verdachte [slachtoffer] samen met een ander heeft mishandeld.

Feit 2

De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het daarbij gebruiken van een vuurwapen. Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan namelijk niet worden vastgesteld dat er bij die bedreiging een vuurwapen in het spel is geweest. Het dossier bevat belastende verklaringen van [slachtoffer], maar daartegenover staat de ontkennende verklaring van de verdachte en verklaringen van getuigen in de woning die geen vuurwapen hebben gezien. Er is weliswaar een vuurwapen in een tas van [slachtoffer] aangetroffen, maar daarover heeft [slachtoffer] verklaard dat dat niet het wapen is waarmee hij zou zijn bedreigd. In zoverre komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring.

Feit 3

Voor strafbaarheid van wederrechtelijke vrijheidsberoving moet een individu van zijn fysieke vrijheid worden beroofd en/of beroofd worden gehouden. De beroving van de vrijheid ziet op de situatie waarbij de betrokkene niet vrijwillig kan vertrekken van de plaats waar hij was en/of de plaats waar hij heen wil, omdat hij is opgesloten of niet weg kan, zonder aan geweld bloot te staan. Het voortdurend in de nabijheid van de betrokkene verblijven zodat hem wordt belemmerd te vertrekken, kan ook vrijheidsberoving opleveren.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat [slachtoffer] onverhoeds is belaagd door de verdachten en is gesommeerd de trap op te lopen naar boven, naar de woning. De verdachten zijn achter hem aangerend. [slachtoffer] heeft geprobeerd de verdachten buiten de deur te houden, maar dat lukte niet. [slachtoffer] is vastgepakt en meermalen geslagen tegen zijn gezicht en zijn hoofd. Nadat de politie was gealarmeerd, is [slachtoffer] door de verdachten gedwongen om de woning met de verdachten te verlaten. De getuige [getuige 1] heeft hierover verklaard dat de verdachten hebben gezegd: “we gaan weg. Hij moet mee” en de getuige [getuige 2] heeft verklaard: “ [slachtoffer] wilde niet met ze mee, maar hij moest van hen mee. Ze sleurden [slachtoffer] aan zijn jas mee naar buiten het portiek in”.

De verdediging heeft gesteld dat de jongens zijn weggestuurd uit de woning en dat [slachtoffer] uit eigen beweging met de verdachten is meegegaan. De jongens zouden samen op een bankje in het park hebben gewacht op een taxi naar Amsterdam, waarbij [slachtoffer] met de verdachten mee zou willen rijden. Deze verklaring acht de rechtbank – gelet op het feit dat [slachtoffer] vlak daarvoor door de verdachten is mishandeld – ongeloofwaardig. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat [slachtoffer] en de verdachte 40 minuten hebben gewacht op de taxi. Al die tijd heeft [slachtoffer] zich kennelijk niet aan de controle van de verdachten kunnen onttrekken.

Gelet op dit samenstel van feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, hebben de verdachten naar het oordeel van de rechtbank een dermate bedreigende en intimiderende situatie gecreëerd voor [slachtoffer], dat deze niet de vrijheid had om weg te kunnen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden en dat de verdachten daar ook het opzet op hadden.

De rechtbank heeft in bijlage 1 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1hij op 10 februari 2024 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft mishandeld door- deze [slachtoffer] meermaals in zijn gezicht te slaan en te stompen; en- meermaals met een telefoon in zijn gezicht en/of tegen zijn hoofd te slaan;

2hij op 10 februari 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en met zware mishandeling, door een machete aan hem te tonen;

3

hij op 10 februari 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer]

- een machete te tonen, en vast te pakken en vast te houden (bij de voordeur van de woning)

en

- in die kamer meermaals in het gezicht te slaan/stompen, en meermaals met een telefoon in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan, en

- ( nadat de politie lijkt te zijn gealarmeerd) de woning uit en een park in te geleiden.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van twaalf maanden met aftrek, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden te bevelen en heeft zij opheffing gevraagd van de schorsing van de voorlopige hechtenis wegens niet-nakoming van de voorwaarden zoals opgelegd in de schorsingsbeslissing van 30 juli 2024. Tot slot heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf zoals opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2023.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht bij een eventuele veroordeling geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte is op 10 februari 2024 met de medeverdachte naar Rijswijk gegaan om de confrontatie aan te gaan met [slachtoffer]. [slachtoffer] is bij het openen van de deur onverhoeds belaagd en gesommeerd de woning in te gaan, waar hij vervolgens is vastgepakt en meermalen is geslagen. Uiteindelijk is [slachtoffer] mede onder dreiging van een machete gedwongen om de woning met de verdachten te verlaten. De verdachte en de medeverdachte hebben een dreigende situatie gecreëerd voor [slachtoffer] en hem dusdanig mishandeld dat hij onder meer een gebroken neus heeft opgelopen. Zij hebben [slachtoffer] daarmee in zijn persoonlijke bewegingsvrijheid belemmerd en een ernstige inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke en geestelijke integriteit. Voor [slachtoffer] is dit een beangstigende situatie geweest, waar pas een einde aan is gekomen door ingrijpen van de politie. Uit wat namens [slachtoffer] op de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat hij nog altijd gevolgen van de feiten ondervindt. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 februari 2026. De rechtbank constateert dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten en weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 30 mei 2024 opgesteld door psycholoog drs. [naam 1]. Zij concludeert dat het de verdachte in de basis niet ontbreekt aan de mogelijkheden en vaardigheden om goed te functioneren. De verdachte is niet gediagnostiseerd met een gedragsstoornis of persoonlijkheidsstoornis. Toch lukt het hem niet om een opleiding of werk vol te houden. De verdachte is onverschillig, lijkt problemen weg te wuiven en negatieve emoties niet te willen ervaren. Kritiek van anderen of bemoeizucht vindt hij vervelend. Bij het overtreden van regels ontkent hij schuld om moeilijkheden en/of negatieve gevolgen te voorkomen, aldus de psycholoog. Er is volgens haar sprake van een zorgelijke ontwikkeling gelet op het ontstane patroon van geweldsdelicten. Er zijn daarnaast zorgen rondom het (negatieve) sociale netwerk van betrokkene, het gebrek aan een zinvolle dagbesteding of inkomen en oplopende schulden.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de reclasseringsrapporten over de verdachte van 13 februari 2024, 21 juni 2024, 2 juni 2025 en 6 februari 2026. De reclassering beschrijft dat de verdachte niet lijkt te profiteren van geboden hulpverlening. Hij houdt zich niet aan de afspraken met de reclassering en met [instantie] (zijn begeleid woonvoorziening), er is sprake van schuldenproblematiek, hij blijft cannabis gebruiken, er zijn zorgen om de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid en er is geen sprake van een dagbesteding. Gezien deze situatie in combinatie met het justitieel verleden van de verdachte schat de reclassering de kans op recidive in als hoog. De reclassering adviseert de voorwaarden zoals geformuleerd bij de schorsing van de voorlopige hechtenis op te leggen. Voorts heeft de reclassering de rechtbank geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen.

Straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De rechtbank houdt voorts rekening met overschrijding van de redelijke termijn en met de eendaadse samenloop van de feiten.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding, nu eerdere voorwaardelijke straffen de verdachte er niet van hebben weerhouden gedurende de lopende proeftijd opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast heeft de reclassering aangegeven dat de verdachte afspraken niet nakomt en hij onvoldoende in staat blijkt tot een structurele gedragsverandering te komen. Bovendien heeft de verdachte ter zitting geen blijk gegeven van behoefte aan hulp, anders dan hulp bij de aflossing van zijn schulden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Voorlopige hechtenis

Uit de rapportages van de reclassering blijkt dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis. In het bijzonder heeft de verdachte zich niet gehouden aan zijn meldplicht, heeft hij zich onttrokken aan zijn woonvoorziening en heeft hij nieuwe strafbare feiten gepleegd, waarvoor hij nu gedetineerd zit. De rechtbank dient voorts een (actuele) afweging te maken van de persoonlijke belangen van verdachte enerzijds en het belang dat gediend wordt door vrijheidsbeneming anderzijds. Gelet op al het voorgaande valt die afweging nu in het nadeel van de verdachte uit. De rechtbank heft de schorsing van de voorlopige hechtenis daarom met onmiddellijke ingang op.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

Mr. [naam 2] heeft zich namens [slachtoffer] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 112.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het feit is gepleegd. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade (bestaande uit het eigen risico), € 12.000,- aan immateriële schade en € 100.000,- nader te onderbouwen materiële en/of immateriële schade in verband met een mogelijk hoger beroep. Tevens wordt verzocht om toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot verzoekt [slachtoffer] de rechtbank een contactverbod op te leggen aan de verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over de hoogte van de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat hij verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn daden door de schade te vergoeden. De raadsman verzoekt de rechtbank aan te sluiten bij het bedrag van € 1.385,- dat door de rechtbank Noord-Holland is opgelegd in de zaak van de medeverdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De gevorderde vergoeding van het eigen risico van € 385,- is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan voorts worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 3.4 bewezen verklaarde mishandeling, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de gevorderde materiele schade ten bedrage van € 385,- daarom toewijzen.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,-.

Niet-ontvankelijk

De rechtbank zal voor zover de vordering betrekking heeft op de post van € 100.000,- de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat deze post niet nader is onderbouwd.

Totaal toegewezen schade

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.885,-, bestaande uit € 385,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 februari 2024, omdat de schade vanaf die datum is ontstaan, tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer].

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van in totaal € 1.885,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer].

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de proceskosten en de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Contactverbod

Door mr. [naam 2] is namens [slachtoffer] verzocht om een contactverbod op de leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toewijzing van dit verzoek, nu er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte [slachtoffer] na 10 februari 2024 opnieuw heeft benaderd.

8. Het in beslag genomen voorwerp

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp kan worden teruggegeven aan de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het belang van strafvordering zich niet langer verzet tegen teruggave van het genoemde voorwerp aan de verdachte. De rechtbank gelast daarom die teruggave.

9. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering van 25 maart 2024 tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 13/033492-23 door de politierechter in de rechtbank Amsterdam op 8 mei 2023 voorwaardelijk opgelegde straf (een werkstraf van 15 uren).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering, nu de rechtbank is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd doordat hij zich voor het einde van de proeftijd wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal bepalen dat de vervangende jeugddetentie wordt omgezet in 7 dagen vervangende detentie, mocht de verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verrichten.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 63, 282, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van mishandeling

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling

en

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

de vordering van de benadeelde partij (t.a.v. de feiten 1 subsidiair, 2 en 3);

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] deels toe tot een bedrag van € 1.885,- (€ 385,- materiële schade en € 1.500,- immateriële schade) en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer];

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.885,- (€ 385,- materiële schade en € 1.500,- immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer];

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 18 (achttien) dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

beslag

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een telefoon met omschrijving PL1500-2024043753-3092154, Blauw;

vordering tenuitvoerlegging

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2023, gewezen onder parketnummer 13/033492-23, te weten een werkstraf voor de duur van 15 uren en beveelt, als deze straf niet (goed) wordt verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 7 (zeven) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.S. Verboom, voorzitter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.S. Verboom
  • mr. K.C.J. Vriend
  • mr. J.R.K.A.M. Waasdorp

Griffier

  • mr. L.E. Kramer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?