RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4227
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk af te doen. Eiser heeft op 26 januari 2026 de beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 29 januari 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 2 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
Waarover gaat deze uitspraak?
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?
2. Eiser is geboren op [datum] 1990 en heeft de nationaliteit van Trinidad en Tobago. Hij is op 18 januari 2026 aangekomen op Schiphol en heeft diezelfde dag een asielaanvraag ingediend. De beslissing over het al dan niet verlenen van toegang is uitgesteld. Op 18 januari 2026 is aan hem de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid van de Vw opgelegd.
Heeft verweerder ten onrechte geen gebruik gemaakt van een registertolk?
3. Eiser voert aan dat bij zijn gehoor ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een registertolk. Dit is in strijd met artikel 28, eerste lid en onder f, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv).
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv, behoudens toepassing van het derde lid, onder meer de Koninklijke Marechaussee verplicht tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers, wanneer gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de Engelse taal in voldoende mate beheerst om het inzetten van een registertolk onnodig te vinden. Voorafgaand aan het gehoor van 18 januari 2026 heeft eiser aangegeven dat hij de wachtmeester begrijpt en hem goed kan verstaan in de Engelse taal. Eiser heeft de vragen in het gehoor vervolgens ook goed kunnen beantwoorden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder een lichter middel moeten opleggen?
4. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft niet goed begrepen dat de vrijheidsontnemende maatregel meebrengt dat hij niet vrijelijk telefonisch contact kan onderhouden met zijn minderjarige zoontje. Volgens eiser is de maatregel onzorgvuldig tot stand gekomen omdat verweerder het belang van het kind niet in zijn besluitvorming heeft betrokken.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel toe te passen en dit voldoende heeft gemotiveerd. Uit pagina 2 van het proces-verbaal van bevindingen bij de asielaanvraag van 18 januari 2026 blijkt dat eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is verteld dat hem een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd en aan hem is gevraagd of er feiten en/of omstandigheden zijn waardoor dit in zijn geval niet mogelijk is. Eiser heeft daarop verklaard: “Als dat de procedure is dan moet het maar.” Verder heeft eiser geen bijzondere medische omstandigheden benoemd waar rekening gehouden moest worden. Ook heeft de Afdeling in de uitspraak van 26 februari 2025 overwogen dat de minister het innemen van mobiele telefoons noodzakelijk heeft mogen achten voor de bescherming van JCS-medewerkers. In de omstandigheid dat eiser in bewaring niet vrijelijk telefonisch contact kan onderhouden met zijn zoontje heeft verweerder dus geen aanleiding hoeven zien voor het toepassen van een lichter middel. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de vrijheidsontnemende maatregel om een andere reden onrechtmatig geweest?
5. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig heeft voortgeduurd.
Wat is de conclusie?
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.