RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.2411 (beroep) en NL26.2412 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft bij de beoordeling van de vraag of in het geval van eiser sprake is van een zodanige band met Bulgarije dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land terug te gaan, onvoldoende voortvarend gehandeld en ten onrechte de belangen van het kind niet betrokken. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 26 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2006. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser internationale bescherming in Bulgarije geniet.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het beroep en het verzoek zijn op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, J.M.A. Adib-Wiering als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter
Wat staat er in het bestreden besluit?
Wat zijn de feiten en omstandigheden?
3. Eiser heeft op 26 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 30 april 2023 heeft een aanmeldgehoor AMV plaatsgevonden. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 18 augustus 2022 via Bulgarije het grondgebied van de Europese Unie is ingereisd. Verweerder heeft vervolgens een verzoek om informatie ingediend bij de Bulgaarse autoriteiten. Op 12 juni 2023 hebben de Bulgaarse autoriteiten laten weten dat eiser op 19 augustus 2022 een asielaanvraag aldaar heeft ingediend en dat aan hem op 22 maart 2023 een subsidiaire beschermingsstatus is verleend. Op 17 april 2024 heeft een ‘combigehoor AMV 12-18 jaar’ plaatsgevonden. Op 29 augustus 2025 heeft een ‘gehoor bescherming EU’ met eiser plaatsgevonden. Op 16 september 2025 hebben de Bulgaarse autoriteiten, na het nogmaals opvragen van informatie door verweerder, laten weten dat de subsidiaire beschermingsstatus van eiser niet is ingetrokken of beëindigd en daarom nog steeds geldig is.
4. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 januari 2026 de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet. Om die reden heeft eiser een sterke band met Bulgarije en is het redelijk dat eiser naar dat land terug zal gaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zal komen, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim. Eiser dient terug te keren naar Bulgarije en dient bij de Bulgaarse autoriteiten te klagen in het geval dat hij problemen ervaart. Uit het verlenen van de status blijkt namelijk de intentie van de Bulgaarse autoriteiten om eiser te beschermen en uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij de hulp van de autoriteiten niet kan inroepen of dit eerder, zonder succes, heeft geprobeerd. Verweerder acht het daarom niet aannemelijk dat bij terugkeer van eiser naar Bulgarije sprake zal zijn van schending van artikel 3 van het EVRM. Tot slot benoemt verweerder dat het feit dat eiser tijdens zijn verblijf in Bulgarije en tijdens zijn asielaanvraag in Nederland minderjarig was, het besluit niet anders maakt. Het uitgangspunt is dat er een ex-nunc toets plaatsvindt en ten tijde van de beslissing op de asielaanvraag van eiser was hij inmiddels meerderjarig. Eiser heeft geen onevenredig nadeel ondervonden door de duur van de procedure. Daarbij is het uitganspunt in IB 2021/56 dat als de termijn langer dan drie jaar is, de asielaanvraag inhoudelijk wordt beoordeeld. Dat is bij eiser niet het geval. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe het verloop van de procedure in strijd is met artikel 3 van het IVRK en het arrest TQ.
Wat is het toetsingskader?
5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwkan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.
Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vbwordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, sprake van een zodanige band met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan, zoals bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb.
Verweerder moet evenwel van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. In artikel 3.106a, derde lid, van het Vb staat dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2023 volgt dat de belangen van het kind als bedoeld in artikel 24 van het Handvest van de EU (hierna: het Handvest) hier ingelezen moeten worden.
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn de in artikel 24 van het Handvest gewaarborgde rechten van het kind van fundamenteel belang. Dat houdt in dat bij alle handelingen die betrekking hebben op kinderen, als essentiële overweging rekening wordt gehouden met hun belangen. Uit de rechtspraak van het Hof over artikel 24 van het Handvest volgt dat de bestuursrechter daarbij ook moet beoordelen of verweerder voldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van het kind in het licht van het fundamentele belang daarvan.
Is de aan eiser verleende beschermingsstatus nog geldig in Bulgarije?
6. Eiser voert allereerst aan dat het niet zeker is of hij nog een vergunning heeft in Bulgarije als hij teruggaat. Hem is een vergunning verleend op grond van de subsidiaire beschermingsstatus. Uit het AIDA-rapport (update 2024) volgt dat deze status drie jaar geldig is. Dat betekent dat de verblijfsvergunning van eiser in maart 2026 zal verlopen en het niet zeker is of eiser bij terugkeer naar Bulgarije aanspraak kan maken op de rechten die hem zouden toekomen op grond van de verleende status.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het AIDA-rapport blijkt dat bij de verlening van een subsidiaire beschermingsstatus een verblijfsdocument wordt afgegeven met een geldigheid van drie jaar. Dat een verblijfsdocument na drie jaar verloopt betekent echter niet dat de subsidiaire beschermingsstatus van eiser is beëindigd of ingetrokken. Dit blijkt ook uit hetzelfde AIDA-rapport, waarin wordt genoemd dat de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden verleend voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft zich in zijn besluit dan ook kunnen baseren op de Eurodac-gegevens en de berichtgeving van de Bulgaarse autoriteiten van 16 september 2025, voor het oordeel dat eiser internationale bescherming geniet in Bulgarije. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die maken dat niet van deze informatie uitgegaan kan worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de belangen van het kind voldoende betrokken?
7. Eiser stelt verder dat verweerder onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken dat hij tijdens zijn eerdere verblijf in Bulgarije en zijn asielprocedure in Nederland, minderjarig was. Eiser beroept zich op het arrest TQ en stelt dat daaruit volgt dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over zijn verblijfsstatus. Een termijn van drie jaar, gerekend vanaf de asielaanvraag, is in ieder geval te lang. Verder mag verweerder de beoordeling of de vreemdeling moet terugkeren naar een andere lidstaat niet uitstellen tot de vreemdeling meerderjarig is geworden. Dat is volgens eiser in zijn geval wel gebeurd. Verweerder wist al in een vroeg stadium dat eiser subsidiaire bescherming in Bulgarije had. Door enkel te wijzen op de ex-nunc toets miskent verweerder dat juist de ervaringen en kwetsbaarheid van eiser als minderjarige bepalend zijn voor de beoordeling of hij in Bulgarije effectieve bescherming heeft genoten en of terugkeer verantwoord is. Verweerder heeft er ook geen rekening mee gehouden dat eiser inmiddels langer in Nederland verblijft dan hij in Bulgarije heeft verbleven en dat hij hier familieleden heeft. Verweerder heeft onvoldoende alle individuele omstandigheden en de kwetsbaarheid van eiser in zijn besluitvorming betrokken.
De rechtbank stelt voorop dat eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet. De vraag ligt voor of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat eiser een zodanige band heeft met Bulgarije dat het voor hem redelijk is om naar dat land terug te keren.
Naar het oordeel van de rechtbank dient in alle fasen van de procedure voortvarend onderzoek te worden verricht om de periode waarin de niet-begeleide minderjarige vreemdeling in onzekerheid verkeert over zijn verblijfssituatie in Nederland zo kort mogelijk te houden. Dit volgt uit het hiervoor opgenomen toetsingskader onder 5 waarin is verwezen naar het arrest TQ en de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2023 en waarin staat dat de belangen van het kind als bedoeld in artikel 24 van het EU-handvest ingelezen moeten worden bij de feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3.106a, derde lid, van het Vb.7.3. De rechtbank stelt vast dat eiser op 26 april 2023 zijn asielaanvraag heeft ingediend. Eiser was toen 16 jaar oud. Op diezelfde datum bleek uit een Eurodac-treffer dat eiser op 18 augustus 2022 het grondgebied van de EU via Bulgarije was binnengekomen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in ieder geval vanaf 30 april 2023 ervan uitging dat eiser evident minderjarig is. Dat blijkt uit de schouw tijdens het aanmeldgehoor AMV van 30 april 2023. Uit informatie van de Bulgaarse autoriteiten van 16 juni 2023 blijkt dat eiser een subsidiaire beschermingsstatus in Bulgarije heeft. Dit is vervolgens ongeveer een jaar later aan eiser meegedeeld in het combigehoor van 17 april 2024. Tenslotte is eerst op 29 augustus 2025 een gehoor bescherming EU met eiser gehouden. Eiser is op [datum] 2024 meerderjarig geworden. 7.4. De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat verweerder er lang over heeft gedaan om een besluit te nemen, namelijk ongeveer twee jaar en negen maanden. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de procedure van eiser zo lang heeft geduurd wegens grote drukte bij de IND, maar dat het besluit wel binnen drie jaar na de asielaanvraag van eiser is genomen. De rechtbank vindt dat onvoldoende verschonend in het licht van voornoemd toetsingskader. Ook het standpunt van verweerder dat de belangen van het kind in deze zaak niet hoeven te worden gewogen omdat eiser ten tijde van het bestreden besluit meerderjarig was, volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024 waaruit volgt dat gewicht toekomt aan de omstandigheid dat de vreemdeling in Nederland een jaar heeft gewacht op een gehoor terwijl al bekend was dat een andere lidstaat hem internationale bescherming heeft verleend, te meer omdat de vreemdeling zich gezien zijn 16-jarige leeftijd op dat moment in een vormende fase van zijn leven bevond. Deze omstandigheden spelen ook bij eiser een rol. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld en niet heeft gemotiveerd op welke wijze in alle fasen van de procedure rekening is gehouden met de belangen van het kind. Daarbij komt dat verweerder niet heeft betrokken dat eiser slechts acht maanden in Bulgarije heeft verbleven en hij ten tijde van het bestreden besluit al bijna drie jaar in Nederland verblijft en er enkele familieleden van eiser in Nederland wonen terwijl in Bulgarije geen familieleden van eiser verblijven. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere motivering aan eiser worden tegengeworpen dat hij een zodanige band met Bulgarije heeft dat het voor hem redelijk is om naar dat land terug te keren. De beroepsgrond slaagt.
Wat is de conclusie?
8. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 14 januari 2026. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft daarvoor een termijn van zes weken.
9. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
10. Eiser krijgt een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt in het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 januari 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Schelhaas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.