RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6845
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
(gemachtigde: mr. J. Ameziane).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 1 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 3 november 2025 gevoegd behandeld met de beroepszaak van eiser met zaaknummer AWB 24/1943. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst in beide beroepen, ten einde het college alsnog in de gelegenheid te stellen om te reageren op de brief van eiser van 22 oktober 2025. Het college heeft op 2 december 2025 gereageerd. Partijen hebben vervolgens desgevraagd niet aangegeven dat zij gehoord willen worden op een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek in beide beroepen gesloten en de beroepen gesplitst voor het doen van uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
3. Bij het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijzondere bijstand voor de individuele inkomenstoeslag niet kan worden vastgesteld omdat eiser in de referteperiode van 1 januari 2021 tot 1 juni 2023 niet woonde op het uitkeringsadres. Het (gezamenlijk) inkomen kan daardoor niet worden bepaald. Het college heeft artikel 36 van de Pw en de Verordening individuele inkomenstoeslag Den Haag 2015 (Verordening) als grondslag gebruikt voor de afwijzing.
Eiser stelt in beroep dat het college ten onrechte een verband heeft gelegd tussen hoofdverblijf, inkomen en recht op individuele inkomenstoeslag. In dat kader stelt hij dat uit de Verordening blijkt dat het recht op individuele inkomenstoeslag bestaat wanneer de aanvrager ‘woonachtig’ is in [plaats]. Eiser stelt dat hij in de referteperiode woonachtig was in [plaats] en dat zijn inkomen niet hoger was dan 110 procent van de bijstandsnorm zodat hij voldoet aan de voorwaarden voor een individuele inkomenstoeslag.
De rechtbank verwijst naar de door het college in het verweerschrift genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Daaruit blijkt dat het van belang is te weten wat de woon- en leefsituatie van eiser in de referteperiode was voor de vraag of het inkomen van eiser in de referteperiode niet hoger was dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Op eiser rust de bewijslast nu het gaat om een aanvraag. Eiser heeft zijn woon- en financiële situatie in de referteperiode niet duidelijk gemaakt. De rechtbank verwijst voor de motivering van dit oordeel naar de uitspraak van heden in de zaak AWB 24/1943 waarbij het beroep tegen de beëindiging van de uitkering, alsmede tegen de intrekking en terugvordering van de uitkering over de beoordelingsperiode 1 januari 2021 tot en met 15 mei 2023 ongegrond is verklaard. Het college heeft het recht op individuele inkomenstoeslag daarom op goede gronden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.