RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10741
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 5 maart 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en de voortduring daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 10 februari 2026 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt aan eisers uitzetting naar Marokko. Eiser ging er vanuit dat hij op 26 februari 2026 zou terugvliegen, maar er was toen nog geen vlucht voor eiser geboekt. Uit het voortgangsrapport volgt eveneens niet waarom eiser niet heeft kunnen vliegen en wanneer eisers vlucht naar Marokko wel is geboekt.
5. Uit het voortgangsrapport volgt dat op 19 februari 2026 een vluchtaanvraag is verzonden. Uit het verweerschrift volgt dat deze vluchtaanvraag op dezelfde dag is geaccordeerd en naar de reisagent is verstuurd in afwachting van de vluchtgegevens. Op 26 februari 2026 is door verweerder een rappel verzonden, wegens het uitblijven van een reactie van de reisagent. Op dezelfde datum heeft verweerder een akkoord ontvangen, waarna op 27 februari 2026 bekend is geworden dat eisers vlucht naar Marokko op 5 maart 2026 is geboekt. Gelet op het voorgaande wordt eiser niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting.
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om toekenning van een schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 10 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.