RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10620
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 5 maart 2026 het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft het onderzoek op 9 maart 2026 heropend en verweerder verzocht om de beslissing op eisers asielaanvraag van 23 januari 2026 aan het dossier toe te voegen.
Eiser heeft hier op 10 maart 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 10 maart 2026 opnieuw gesloten.
Overwegingen
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 januari 2026.
4. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Eiser heeft op 25 februari 2026 beroep ingesteld. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw had de rechtbank het vooronderzoek binnen één week na ontvangst van het beroepschrift moeten sluiten en ingevolge het tweede lid binnen zeven dagen daarna schriftelijk uitspraak moeten doen. Dit betekent dat de rechtbank uiterlijk op 4 maart 2026 het onderzoek had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter op 5 maart 2026 gesloten. De termijn zoals genoemd in artikel 96, eerste lid, van de Vw is dus overschreden. Ondanks de termijnoverschrijding is er echter sprake van een voortvarende beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, omdat de uitspraaktermijn zoals bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw niet is overschreden. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om het voortduren van de bewaring alleen vanwege het te laat sluiten van het vooronderzoek onrechtmatig te achten. Eiser is als gevolg van deze termijnoverschrijding dan ook niet in zijn belangen geschaad.
5. Eiser voert aan dat verweerder de maatregel van bewaring niet tijdig heeft verlengd, omdat op 23 januari 2026 zijn asielaanvraag is afgewezen. Uit eisers dossier blijkt niet van een tijdige verlenging voor de duur van drie maanden. De grondslag van de bewaring is daarom onrechtmatig. Vanwege het ontbreken van informatie over wanneer de voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de asielaanvraag op zitting is gepland, kan niet worden vastgesteld dat de behandeling hiervan binnen drie maanden zal plaatsvinden. Indien deze informatie wel bekend is, voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door niet tijdig alle relevante stukken aan het dossier toe te voegen. Tot slot stelt eiser dat de vreemdelingenbewaring hem zwaar valt. Eiser heeft last van zijn schouder en wenst hiervoor betere zorg dan die in het detentiecentrum verkrijgbaar is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Bij besluit van 23 januari 2026 is eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder de vreemdelingenbewaring met ten hoogste drie maanden verlengd op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw, omdat er nog onderzoek nodig is naar eisers identiteit en nationaliteit. Dit besluit is op 9 maart 2026 door verweerder aan het digitale dossier toegevoegd. De beroepsgrond dat niet kan worden vastgesteld of tijdig een verlengingsbesluit is genomen, slaagt dan ook niet.
7. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2019 volgt dat een vreemdeling na afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond geacht wordt procedureel rechtmatig verblijf te hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. gedurende de rechtsmiddelentermijn of in afwachting van een beslissing op zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Eiser heeft tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op 30 januari 2026 beroep ingesteld. Daarbij heeft eiser ook verzocht om een voorlopige voorziening. Dat betekent dat eiser op het moment van het sluiten van het onderzoek door de rechtbank op 10 maart 2026 geacht wordt rechtmatig verblijf te hebben. De maatregel van bewaring is dan ook terecht gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
8. De rechtbank overweegt dat voor een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw, dat verweerder geen verplichting heeft tot voortvarend handelen ter voorbereiding van de uitzetting van eiser.
9. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij detentieongeschikt is. Daarnaast is in het detentiecentrum medische zorg aanwezig waar eiser een beroep op kan doen. Indien volgens eiser in het detentiecentrum onvoldoende zorg kan worden gegeven, kan hij bij de directie van het detentiecentrum een verzoek indienen om te worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis.
10. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 maart 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.