RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24782
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het (afwijzende) primaire besluit van 7 november 2024 kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [waarnemer van zijn gemachtigde] , als waarnemer van zijn gemachtigde. Verschenen zijn [oom van eiser] en [tante van eiser] , de oom en tante van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1993 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 4 oktober 2024 verzocht om afgifte van een visum kort verblijf om referent, zijn gestelde neef, te kunnen bezoeken.
2. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Bovendien is er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Deze afwijzing is bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser de familierechtelijke relatie met referent niet heeft aangetoond. Verder is sprake van geringe sociale en economische binding met Marokko. Dit maakt dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser tijdig zal terugkeren naar Marokko.
3. Eiser stelt in beroep dat het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en beroept zich op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 27 februari 2024. Er mag alleen van het horen worden afgezien wanneer er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. In bezwaar zijn meerdere documenten, waaronder de vragenlijst, aangeleverd. Eiser had dan ook gehoord moeten worden. Verweerder neemt geen genoegen met de inhoud van de vragenlijst en eiser had dit moeten voorzien van een onderbouwing. Eiser meent dat dit een extra belemmering vormt waar geen juridische grondslag voor is. Verweerder maakt zich schuldig aan detournement de pouvoir. Ook wordt niet kenbaar betrokken dat referent een betrouwbare garantsteller is. Verweerder handhaaft ten onrechte dat eiser geringe economische en sociale binding met Marokko heeft.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beoordelingskader
4. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode blijkt dat verweerder verplicht is een visum te weigeren indien redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Het hoeft dus niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland wil vestigen; bij redelijke twijfel hierover moet verweerder het visum al afwijzen.
5. Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. Dat staat onder andere in het arrest van het Hof in de zaak [persoon] . Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Als naar gelang de sociale dan wel economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Sociale en economische binding
6. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken van een zodanige sociale binding met Marokko dat een tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. In de eerste plaats staat vast dat eiser ongehuwd is en geen kinderen heeft. Ook is niet gebleken dat hij andere familieleden in Marokko heeft waar hij zorg voor draagt. De enkele stelling dat zijn ouders hulpbehoevend zijn en hij daar zorg voor draagt volstaat niet om sociale binding met Marokko aan te tonen. Dit is niet onderbouwd met objectief verifieerbare stukken. Verweerder heeft ook kunnen meewegen dat niet is gebleken van (andere) zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser dwingen om tijdig naar Marokko terug te keren.
7. Ook heeft eiser zijn economische binding met Marokko niet alsnog onderbouwd. Van belang is dat eiser aantoont dat hij economische redenen heeft om terug te keren naar Marokko. Met de in bezwaar overgelegde huurovereenkomst en vergunning van de verhuurder om land te pachten, toont eiser niet aan dat hij daadwerkelijk
inkomen uit agrarische werkzaamheden genereert. Ter zitting is namens eiser gesteld dat verweerder het niet voldoende in de context van Marokko plaatst. Wat hier ook van zij ontslaat dit eiser er echter niet van dat hij moet aantonen dat hij daadwerkelijk activiteiten ontplooit, wat hij op geen enkele wijze heeft gedaan. Verweerder heeft op basis van het voorgaande in redelijkheid kunnen overwegen dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond.
8. Vanwege de onvoldoende gebleken sociale en economische binding met Marokko heeft verweerder kunnen concluderen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Betrouwbaarheid garantsteller
9. Zoals verweerder terecht heeft opgetekend in het verweerschrift kan de betrouwbaarheid van een referent een kantelpunt vormen, indien wel sprake is van een dusdanig aantoonbare sociale en/of economische binding van het land van herkomst. Gelet op het voorgaande is daar in het geval van eiser geen sprake van. Er hoeft dan ook geen speciaal belang gehecht te worden aan de gestelde betrouwbaarheid van zijn neef als referent.
Bewijslast
10. De bewijslast ligt bij eiser, zoals ook is vermeld in artikel 14 van de Visumcode. Al bij de aanvraag is duidelijk (gemaakt) dat verweerder bewijs van eiser verlangt om zijn binding met Marokko aan te kunnen tonen. Zo wordt in de checklist expliciet benoemd dat - om de sociale binding te onderbouwen - eiser documenten dient te overleggen die laten zien dat hij zorg draagt voor iemand. Ook maakt de checklist duidelijk dat de economische binding onderbouwd kan worden door onder andere loonstroken, bankafschriften of een werkgeversverklaring. Vervolgens blijkt uit het primaire besluit op welke afwijzingsgronden de aanvraag is afgewezen. Uit deze motivering en de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ wordt opnieuw duidelijk wat verweerder van eiser verlangt om aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een visum kort verblijf. Verweerder wordt dan ook gevolgd in het standpunt dat het in de bezwaarfase voldoende duidelijk had moeten zijn voor eiser welke stukken hij diende te overleggen. Zoals hierboven is overwogen is een enkele verklaring dat hij voor zijn ouders zorgt, de huurovereenkomst en pachtvergunning onvoldoende om zijn sociale en economische binding aan te tonen. Gelet hierop heeft eiser niet de inspanningen verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden. Hiermee voldoet eiser dan ook niet aan zijn bewijslast. Dat eiser hierin belemmerd wordt, wordt niet gevolgd.
Hoorplicht
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder de gegeven omstandigheden heeft kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Op grond van wat namens eiser in bezwaar is aangevoerd over de sociale en economische binding van eiser met Marokko en de daaruit af te leiden twijfel over zijn tijdige terugkeer, was onverkort duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Dit is in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022. Namens eiser is tot slot ook ter zitting niet uitgelegd wat hij tijdens een hoorzitting naar voren had willen brengen wat volgens hem tot een ander oordeel had kunnen leiden.
Conclusie
12. De aanvraag van eiser om afgifte van een visum voor kort verblijf is terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.