RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49086
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. El Yahiaoui),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering om hem een visum voor kort verblijf te verstrekken kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Agayev, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1981. Op 10 februari 2025 heeft hij een aanvraag ingediend voor afgifte van een visum voor kort verblijf voor familiebezoek in Nederland bij [referent] , referent.
2. Bij het primaire besluit van 17 februari 2025 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft in het primaire besluit overwogen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet voldoende zijn aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om Nederland vóór het verstrijken van het visum weer te verlaten. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet meer tegengeworpen dat er getwijfeld wordt aan het voornemen om Nederland vóór het verstrijken van het visum weer te verlaten. Voor het overige wordt het primaire besluit gehandhaafd.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat hij niet in staat was om stukken aan te leveren die de relatie tussen hem en referent aantonen. Eiser stelt dat hij inspanningen heeft geleverd om bepaalde stukken te krijgen en te overleggen. Verweerder had volgens eiser hem moeten horen, zodat hij onduidelijkheden rondom zijn relatie met referent had kunnen verduidelijken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Griffierecht
4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van zijn beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door referent overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt dan ook definitief toegewezen.
Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
5. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.
6. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit (ex tunc-toetsing). Uit het arrest [naam] van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag bij de beoordeling van de relevante feiten over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of één van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen.
7. Verweerder heeft redelijkerwijs kunnen tegenwerpen dat eiser zijn relatie tot referent niet heeft aangetoond. Daarmee heeft verweerder ook in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aannemelijk zijn gemaakt. Hierbij is van belang dat eiser op geen enkele wijze, anders dan zijn eigen verklaringen, de relatie heeft aangetoond. Eiser is door verweerder afdoende in de gelegenheid gesteld om de relatie aan te tonen. In het primaire besluit is reeds kenbaar gemaakt door verweerder dat de relatie tot referent niet is aangetoond. Daarna is via de ‘vragenlijst visumaanvraag’ verzocht om stukken aan te leveren die deze relatie aantonen. Op 22 augustus 2025 heeft verweerder nog een e-mail gestuurd aan gemachtigde van eiser met het verzoek bewijsstukken van de relatie tot referent op te sturen. Desondanks is er geen bewijs en ook geen begin van bewijs overgelegd die de relatie zou kunnen aantonen. De enkele opmerking van eiser dat hij niet in staat was de gevraagde stukken aan te leveren is, zonder nadere motivering, geen weerlegging van het standpunt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aannemelijk zijn gemaakt.
8. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en heeft geen reden hoeven zien om eiser te horen. Aan eiser is in bezwaar de gelegenheid geboden om de visumaanvraag nader te onderbouwen. Daarvoor heeft verweerder aan eiser een ‘vragenlijst visumaanvraag’ toegezonden. Deze vragenlijst bevat een toelichting over welke bewijsstukken moeten worden overgelegd. Op grond van wat namens eiser in bezwaar is aangevoerd over het doel en de omstandigheden van het verblijf van eiser in Nederland en het ontbreken van enige stukken over de relatie tussen eiser en referent, was het meteen duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Het beroep van eiser op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 gaat daarom niet op.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 maart 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.