RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.335
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Verweerder heeft op 18 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 9 januari 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 september 2025, 12 november 2025 en 25 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die laatste uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf 19 november 2025.
3. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije. Het is niet aannemelijk dat de Algerijnse autoriteiten een lp zullen verstrekken aan eiser. Hij beschikt niet over documenten, waardoor de Algerijnse autoriteiten niet zullen meewerken aan een presentatie in persoon. De belangenafweging moet daarom in zijn voordeel uitvallen. Daarbij komt dat de detentie zichtbaar belastend voor hem is. Verder heeft eiser zoveel mogelijk meegewerkt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In zijn algemeenheid bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. Verweerder heeft bovendien toegelicht dat de Algerijnse autoriteiten in de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 november 2025 in totaal 81 lp’s hebben verstrekt en in 64 gevallen heeft het geleid tot het daadwerkelijk vertrek van de vreemdeling. Niet is gebleken dat in het specifieke geval van eiser zicht op uitzetting ontbreekt. De stelling van eiser dat er geen zicht is op uitzetting, omdat eiser geen documenten heeft, wordt niet gevolgd. Uit het verweerschrift blijkt namelijk dat de Algerijnse autoriteiten ook lp’s worden verstrekt aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Wel hebben de Algerijnse autoriteiten aangegeven dat zij pas een presentatie in persoon inplannen op het moment dat de nationaliteit is bevestigd op basis van de vingerafdrukken. In het geval van eiser zijn de vingerafdrukken toegevoegd aan de lp-aanvraag. Bovendien is van belang dat eiser geen inspanningen heeft verricht om zijn vertrek mogelijk te maken.
5. De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, zijn nog steeds aanwezig. Eiser heeft ook geen omstandigheden genoemd die maken dat de maatregel van bewaring voor hem onevenredig bezwarend is of dat verweerder moet volstaan met het opleggen van een lichter middel.
6. De rechtbank komt ambtshalve niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 januari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.