RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10689
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
Procesverloop
1. De minister heeft op 19 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank op 26 februari 2025 via een kennisgeving op de hoogte gebracht van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Op 3 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser gronden ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 4 maart 2026 gesloten.
Overwegingen
Standpunten eiser
2. Eiser is van mening dat het voortduren van de maatregel van bewaring niet langer rechtmatig is. Eiser betoogt dat hem niet kan worden verweten dat hij na het vertrekgesprek van 5 januari 2026 niet meer heeft deelgenomen aan vertrekgesprekken, omdat het steeds een herhaling van zetten blijkt te zijn. Ook voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, omdat er sinds de lp-aanvraag van 8 juli 2025 alleen schriftelijk is gerappelleerd. Het had volgens eiser op de weg van de minister gelegen om op individueel niveau contact op te nemen met de Nigeriaanse autoriteiten.
Beoordeling rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 12 december 2026.
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Nigeriaanse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Nigeriaanse autoriteiten.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft op 17 december 2025, 8 en 29 januari 2026 en 19 februari 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat op 5 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Op 5 en 12 februari 2026 stonden ook vertrekgesprekken gepland, maar eiser is niet verschenen. Daarnaast was op 12 december 2025 een presentatie gepland, maar is eiser niet verschenen bij de presentatie. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld of op individueel niveau had moeten rappelleren.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 3. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.