ECLI:NL:RBDHA:2026:4952

ECLI:NL:RBDHA:2026:4952

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer C/09/684689 / HA ZA 25-388
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Proceskostenveroordeling. Geen vergoeding reële proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaak- / rolnummer: C/09/684689 / HA ZA 25-388

Vonnis van 25 februari 2026

in de zaak van

ALCAZAR CAPITAL PARTNERS,

te George Town (Kaaimaneilanden),

eiseres,

hierna te noemen: Alcazar,

advocaat: mr. K.J. Krzeminski,

tegen

KURDISTAN REGIONAL GOVERNMENT OF IRAQ,

te Koerdistan (Irak),

gedaagde,

hierna te noemen: KRG,

advocaat: mr. M. Malycha.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 mei 2025 met producties 1 tot en met 23;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 16;- de akte eisvermindering van Alcazar, waarbij de vordering is verminderd tot nihil;- de akte houdende reactie van KRG op de akte eisvermindering met productie 17 tot en met 19, waarbij KRG heeft verzocht om een reële proceskostenvergoeding;

- de akte uitlating werkelijke proceskosten van Alcazar.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

Bij de akte eisvermindering heeft Alcazar haar vordering verminderd tot nihil. Dit maakt dat de rechtbank enkel nog een beslissing zal nemen over de proceskosten van deze procedure.

Bij de akte houdende reactie van KRG op de akte eisvermindering heeft KRG verzocht om een vergoeding van de werkelijke proceskosten van KRG ter hoogte van € 70.000. Volgens KRG is er zowel sprake van nodeloos gemaakte kosten als van misbruik van procesrecht. Beide grondslagen geven recht op een reële proceskostenvergoeding, aldus KRG. Daarbij heeft KRG de rechtbank verzocht om alsnog in het vonnis in te gaan op de toewijsbaarheid van de initiële vorderingen van Alcazar. KRG heeft hierbij de hoop dat Alcazar daarmee ontmoedigd wordt om nogmaals een procedure tegen KRG aan te spannen.

Alcazar heeft zich primair op het standpunt gesteld dat KRG niet-ontvankelijk is in haar verzoek om een reële proceskostenvergoeding. KRG had deze vordering als eis in reconventie in moeten indienen. Nu zij dit niet heeft gedaan is zij te laat met haar huidige vordering en moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair heeft Alcazar betwist dat er sprake is van misbruik van procesrecht. Meer subsidiair heeft Alcazar zich op het standpunt gesteld dat de gestelde werkelijke proceskosten onvoldoende zijn onderbouwd.

3. De beoordeling

Gelet op het feit dat Alcazar de onderhavige procedure heeft opgestart en vervolgens, voor de geplande mondelinge behandeling, de vordering heeft verminderd tot nihil, is de rechtbank van oordeel dat KRG recht heeft op een proceskostenvergoeding door Alcazar. De vraag is vervolgens of de advocaatkosten daarbij moeten worden begroot conform het liquidatietarief of dat KRG recht heeft op een reële proceskostenvergoeding, zoals door KRG is verzocht.

Wat betreft de ontvankelijkheid van het verzoek van KRG om een reële proceskostenvergoeding, overweegt de rechtbank het volgende. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ambtshalve beslist over een proceskostenvergoeding. Het standpunt van KRG met betrekking tot de reële proceskostenvergoeding houdt enkel een nadere specificatie in van hoe de rechtbank volgens haar deze proceskostenvergoeding zou moeten invullen. KRG zoekt daarbij aansluiting bij de maatstaven voor nodeloos gemaakte kosten en misbruik van procesrecht. Dit maakt echter niet dat daarmee sprake is van een zelfstandige vordering op grond van onrechtmatige daad. KRG was dus ook niet gehouden om deze verzoek bij eis in reconventie in te dienen. KRG is daarmee ontvankelijk in haar verzoek om een reële proceskostenvergoeding.

Op grond van artikel 237, eerste lid, laatste volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een partij in de kosten worden veroordeeld, indien de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van nodeloos veroorzaakte kosten die voor rekening van die partij behoren te komen. De rechtbank overweegt dat, voor zover er al sprake is van nodeloos veroorzaakte kosten, deze al worden gedragen door Alcazar nu zij in de proceskosten van deze procedure zal worden veroordeeld. Voor zover KRG meent dat artikel 237 eerste lid, laatste volzin Rv recht geeft op een reële proceskostenvergoeding, overweegt de rechtbank als volgt. Indien er sprake is van nodeloos veroorzaakte kosten, dan kan op grond daarvan een reële proceskostenvergoeding worden vastgesteld. Dit kan echter enkel voor zover daarbij tevens sprake is van een schending van artikel 21 Rv, waarin de waarheids- en volledigheidsplicht van partijen is vastgelegd. Op grond van dit artikel kan de rechter bij een schending daaruit “de gevolgtrekking maken die hij geraden acht”, wat ook kan inhouden het toewijzen van een reële proceskostenvergoeding. In dit geval is namens KRG betoogd dat er tevens sprake is van een schending van artikel 21.

Als tweede grondslag voor haar verzoek om een reële proceskostenvergoeding heeft KRG aangevoerd dat er sprake is geweest van misbruik van procesrecht. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

De rechtbank overweegt dat het verzoek van KRG op geen van beide grondslagen kan worden toegewezen. Uit de inhoud en omvang van de processtukken, en de talloze aan de onderhavige zaak gelieerde gevoerde en nog lopende procedures volgt dat verschillende vaststellingen van (relevante) feiten door elkaar lopen. Voor de rechtbank blijkt daaruit onvoldoende dat Alcazar de waarheidsplicht in zodanig ernstige mate heeft geschonden dat dit KRG recht geeft op een reële proceskostenvergoeding. Ook volgt daaruit niet dat het in deze zaak gaat om een vordering die evident ongegrond is. Er kan dus niet worden gezegd dat Alcazar op deze grond misbruik maakte van haar procesrecht door de onderhavige zaak aan te spannen. Ook het door KRG genoemde procedeergedrag van Alcazar en de eisintrekking maakt voorgaande conclusie niet anders. Het ‘procedeergedrag’ ziet op één enkel uitstelverzoek dat is ingediend namens Alcazar en de eisintrekking is een recht dat, hoe mogelijk onwelgevallig ook voor KRG, Alcazar mag uitoefenen. Dus ook daarmee is er geen sprake van zodanige buitengewone omstandigheden dat een reële proceskostenvergoeding zou moeten worden toegewezen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van KRG om een reële proceskostenvergoeding wordt afgewezen. Daarnaast zal de rechtbank het verzoek van KRG afwijzen om alsnog in dit vonnis in te gaan op de toewijsbaarheid van de initiële vorderingen van Alcazar. De rechtbank is gebonden aan de vorderingen zoals die aan haar voorliggen en, gelet op de intrekking van de zijde van Alcazar, liggen de initiële vorderingen niet meer ter beoordeling aan haar voor.

De proceskosten van KRG worden begroot op:

- griffierecht

10.188,00

- salaris advocaat

6.946,50

(1,5 punten × € 4.631,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

17.323,50

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Alcazar in de proceskosten van € 17.323,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Alcazar niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt Alcazar tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft, mr. V.C. Kool en mr. M. van Kogelenberg en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?