ECLI:NL:RBDHA:2026:4959

ECLI:NL:RBDHA:2026:4959

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer NL26.10798
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring; volgberoep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.10798

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. T. Esen),

en

Procesverloop

1. De minister heeft op 13 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De minister heeft de rechtbank op 26 februari 2025 via een kennisgeving op de hoogte gebracht van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Op 3 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser gronden ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek op de zitting achterwege blijft en het onderzoek op 4 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

Standpunten eiser

2. Eiser is van mening dat er sprake is van langdurige stilstand in zijn laissez passer (lp)-traject, en dat er daardoor geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Ook is er ten onrechte nog geen presentatie bij de Algerijnse autoriteiten ingepland. Dat eiser niet meewerkt aan zijn vertrekgesprekken, en daarmee geen medewerking verleent aan zijn uitzetting, doet hier niet aan af.

Beoordeling rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 19 december 2026.

4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Algerijnse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft op 8, 20 en 29 januari en op 19 februari 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Op 12 januari 2026 en 9 februari 2026 stond een vertrekgesprek gepland, maar eiser is niet verschenen. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld of op individueel niveau had moeten rappelleren.

De rechtbank heeft in de hiervoor onder 3. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.A.G. van Dijk

Griffier

  • mr. M.A. Postma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?