ECLI:NL:RBDHA:2026:5042

ECLI:NL:RBDHA:2026:5042

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 09/265467-25 en 09/335744-25 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vrijspraak van vernieling van graven en urnen en diefstal van een gedenksteen en/of grafmonument op begraafplaats Westduin te Den Haag in de periode van 21 februari 2025 t/m 5 maart 2025. Bewezenverklaring van tweemaal diefstal door middel van braak in vakantiewoningen op vakantiepark Roompot Kijkduin te Den Haag in de periode van 19 februari 2025 t/m 5 maart 2025. Gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/265467-25 en 09/335744-25 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 12 maart 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 26 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Briejer, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. T.J.N. Hameleers, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De rechtbank heeft ter terechtzitting de voeging bevolen van de dagvaarding met parketnummer 09/265467-25 (hierna te noemen dagvaarding I) met de dagvaarding met parketnummer 09/335744-25 (hierna te noemen dagvaarding II).

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in dagvaarding I en II. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Samengevat wordt de verdachte bij dagvaarding I onder 1 verdacht van het vernielen van meerdere graven en urnen en, onder 2, van diefstal van gedenkstenen en/of grafmonumenten, gepleegd in de periode van 21 februari 2025 tot en met 5 maart te Den Haag. Ook wordt de verdachte, bij dagvaarding II, verdacht van tweemaal diefstal door middel van braak en van bedreiging, gepleegd in de periode van 19 februari 2025 tot en met 5 maart te Den Haag.

3. De bewijsbeslissing

Dagvaarding I

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting als volgt.

Op 21 februari 2025 omstreeks 20:00 uur kreeg de politie een melding dat er op de begraafplaats Westduin, gevestigd op de Wijndaelersingel in Den Haag, breekgeluiden waren gehoord. De melder dacht dat er begraafstenen of andere goederen werden vernield. Daarop betraden de verbalisanten even na 20:00 uur de begraafplaats, waarvan de ingang eerder die avond al was afgesloten voor de nacht, door zich door een hek naast de ingang heen te wurmen.

De verbalisanten zagen op hun looproute over de begraafplaats meerdere vernielde grafstenen en urnen. Achteraf is gebleken dat ook van diefstal sprake is geweest. Aan het einde van de looproute van de verbalisanten, achterin de begraafplaats, nabij het Solleveldpad, werd een overgang over de sloot aangetroffen, gemaakt van takken, waardoor het mogelijk was om vanaf het Solleveldpad het water over te steken en daarna, via een verbogen opening in het hekwerk, de begraafplaats te betreden.

Nabij deze overgang op de begraafplaats werden onder de struiken een vest en een parfumflesje aangetroffen. Het vest en het parfumflesje zagen er schoon uit; er zat geen modder of viezigheid op en ze waren droog. Uit onderzoek naar de weerhistorie volgt dat er op 21 februari 2025 geen neerslag is geweest maar de dag ervoor, op 20 februari 2025, wel. Op basis hiervan is de politie tot de conclusie gekomen dat het vest en het parfumflesje er niet langer dan een dag gelegen hebben. Op de manchetten van het vest is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren gevonden. Daarvan is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die het parfumflesje op die plek heeft neergelegd.

Door de beheerder van de begraafplaats zijn de camerabeelden van die dag bekeken en daaruit blijkt dat niemand op 21 februari 2025 na sluitingstijd (18:00 uur) op reguliere wijze, dus via de hoofdingang, de begraafplaats heeft betreden. De persoon die de vernielingen en diefstallen heeft gepleegd, moet de begraafplaats dus op een andere plaats hebben betreden, mogelijk via het gat in het hek aan de achterzijde van de begraafplaats.

De politie heeft ook onderzoek gedaan naar de historische gegevens van het telefoonnummer dat in gebruik is bij de verdachte. Hieruit volgt dat de telefoon van de verdachte op 21 februari 2025 om 18:00:29 uur contact heeft gemaakt met het basisstation aan de Monsterseweg te Den Haag en om 23:45:33 uur met het basisstation aan de Mozartlaan te Den Haag. De begraafplaats Westduin ligt binnen het theoretisch bereik van beide basisstations.

De zus van de verdachte heeft op verschillende momenten in 2025 met de politie gesproken over de verdachte. De politie heeft opgeschreven dat zij toen heeft verteld dat als de verdachte tegenslagen ervaart, hij eropuit gaat en “dat dan onder andere auto’s of begraafplaatsen het moeten ontgelden”. Hij zou dit ook eerder in Den Haag hebben gedaan. Zij zou ook met de verdachte hebben gesproken over het vernielen van graven en “dat dat dit jaar was in Den Haag”. Zij had hierover ook nieuwsberichten gezien op de televisie.

De verdachte ontkent de graven op 21 februari 2025 te hebben vernield. Hij heeft verklaard dat hij, na zijn vrijlating uit detentie in januari 2025, geen woonruimte had en vaak verbleef op de begraafplaats en het nabijgelegen vakantiepark Roompot Kijkduin en daar ook naar een slaapplek zocht. Dat is volgens hem ook de reden dat er spullen van hem op de begraafplaats zijn blijven liggen. De verdachte is op 2 maart 2025 daadwerkelijk slapend aangetroffen in de omgeving van de begraafplaats.

De rechtbank overweegt op basis van het voorgaande als volgt. Direct nadat de vernielingen zijn gepleegd, zijn er spullen van de verdachte aangetroffen op de begraafplaats tussen de opening in het hek bij de sloot en het pad op de begraafplaats waar de vernielingen zijn gepleegd. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat deze spullen er waarschijnlijk niet langer dan een dag hebben gelegen. Verder was de telefoon van de verdachte enkele uren voor en enkele uren nadat de vernielingen werden gepleegd, binnen het theoretisch bereik van de zendmasten waarbinnen ook de begraafplaats valt:

Dit alles wijst op een mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de vernielingen op de begraafplaats op 21 februari 2025. Omstandigheden die die betrokkenheid uitsluiten zijn niet naar voren gekomen. Dat alles maakt echter nog niet dat voor die betrokkenheid van de verdachte wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. De rechtbank is van oordeel dat dergelijk bewijs ontbreekt. Uit het dossier volgt weliswaar dat de verdachte in de periode rondom de vernielingen op en rond de begraafplaats is geweest – dit ontkent de verdachte ook niet – maar niet dat hij die vernielingen daadwerkelijk heeft gepleegd, of zelfs maar op 21 februari om(streeks) 20:00 uur – het tijdstip waarop de melder breekgeluiden heeft gehoord – op de begraafplaats was.

De kennelijke uitlatingen van de zus van de verdachte maken het voorgaande niet anders. De politie heeft hetgeen de zus van de verdachte heeft verteld geparafraseerd opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen. Het gaat om weinig concrete uitlatingen, waarin details ontbreken. De vriend van de zus heeft de stellingen niet willen of kunnen bevestigen. Niet zeker is of de uitlatingen van de zus van de verdachte zien op de op 21 februari 2025 gepleegde vernielingen en diefstallen op begraafplaats Westduin.

Met betrekking tot de vernielingen die zijn ontdekt op 5 maart 2025 – en die dus na 21 februari 2025 moeten zijn gepleegd – overweegt de rechtbank dat uit het dossier zelfs niet blijkt dat de verdachte op of rond die datum op de begraafplaats is geweest.

Samengevat is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernielingen en de diefstallen in de periode van 21 februari 2025 tot en met 5 maart 2025. Dit maakt dat de verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Dagvaarding II

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding II onder 3 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte van het bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van diefstal door middel van braak/verbreking dan wel inklimming. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft gedreigd met brandstichting.

Vrijspraak van feit 3

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het bij dagvaarding II onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Gezien de aanwezigheid van de verdachte bij de vakantiehuisjes van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] op 5 maart 2025, de op dat moment bij hem aangetroffen gestolen spullen en de braakschade aan beide vakantiehuisjes acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde inbraken heeft gepleegd. Het betoog van de raadsman vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.

hij in de periode van 19 februari 2025 tot en met 5 maart 2025 te ’s-Gravenhage meerdere horloges, die aan [benadeelde 2] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2.

hij in de periode van 19 februari 2025 tot en met 5 maart 2025 te ’s-Gravenhage één kledingstuk, dat aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, terzake van het bij dagvaarding I onder 1 en 2 en het bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan middelencontrole. Ook dient aan de verdachte te worden opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in de vorm van een locatieverbod van vijf jaar, waarbij het de verdachte niet is toegestaan zich op of rond de begraafplaats Westduin in Den Haag te begeven, waarbij per overtreding twee weken vervangende hechtenis dient te worden toegepast, met een maximum van zesentwintig weken.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is geen standpunt ingenomen over een op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan diefstal met braak in vakantiehuisjes op vakantiepark Roompot Kijkduin in Den Haag. De verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor het eigendomsrecht van een ander en heeft de eigenaren van de vakantiehuisjes overlast en schade toegebracht. Bovendien veroorzaakt een inbraak in een vakantiehuisje gevoelens van onveiligheid, temeer nu een van de aangevers ook is geconfronteerd met de aanwezigheid van de verdachte bij haar vakantiehuisje.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen jaren meermaals is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten waaronder (woning)inbraken.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van verschillende rapportages over de verdachte van

10 oktober 2025, 21 oktober 2025, 14 januari 2026 en 16 februari 2026. Hieruit volgt dat bij de verdachte sprake is van problematiek op diverse leefgebieden. Bij de reclassering bestaan zorgen omdat sprake lijkt van maatschappelijke teloorgang en het tot op heden niet is gelukt om te komen tot stabilisatie van het leven van de verdachte en het terugdringen van het recidiverisico. Dat recidiverisico wordt ook telkens als hoog ingeschat. Ook wordt het zorgelijk geacht dat de verdachte in januari 2025 uit detentie is gekomen en tot oktober 2025 al driemaal in beeld kwam bij justitie. In 2018 is aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd en in 2025 voldeed de verdachte wederom bijna aan de ISD-criteria. Ook de kans op onttrekking aan een reclasseringstraject wordt ingeschat als hoog, aangezien eerdere trajecten voortijdig negatief zijn beëindigd en sprake is van instabiliteit op diverse leefgebieden. De verdachte stelt zich bovendien niet of moeilijk op richting hulpverlening. De verdachte heeft bij de reclassering, maar ook op de terechtzitting gezegd dat hij zelf van mening is dat geen sprake is van problematiek en dat hij geen hulp nodig heeft. Hij wil dan ook niet meewerken aan enige hulpverlening, hoogstens aan een meldplicht of middelencontrole.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een Pro Justitia psychologisch rapport van

6 januari 2026. Het psychologisch onderzoek had tot doel om meer zicht te krijgen op eventuele onderliggende problematiek bij de verdachte. Uit dit rapport blijkt dat de verdachte daaraan geen medewerking heeft verleend.

Op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, meer in het bijzonder de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij één enkele inbraak in een woning en wanneer, zoals in dit geval, sprake is van recidive, als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. In dit geval is sprake van twee inbraken. De rechtbank weegt bij de strafoplegging in strafverlagende zin enerzijds mee dat het niet gaat om permanente woningen, maar om vakantiewoningen. Anderzijds weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat de verdachte in een van de vakantiehuisjes een complete chaos heeft achtergelaten en dat bij beide vakantiehuisjes sprake was van braakschade. Ook weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn strafbare gedrag.

Gelet op wat is overwogen met betrekking tot de persoon van de verdachte zou hulpverlening in het kader van bijzondere voorwaarden wenselijk zijn. Echter, gelet op het feit dat de reclassering zelf duidelijke kanttekeningen plaatst bij de haalbaarheid van hulpverlening en op de houding van de verdachte tegenover hulpverlening, acht de rechtbank de uitvoering daarvan in het kader van bijzondere voorwaarden niet haalbaar. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Vrijheidsbeperkende maatregel artikel 38v Sr inhoudende een gebiedsverbod

De rechtbank zal aan de veroordeelde de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr opleggen. De maatregel houdt in dat de verdachte zich voor de duur van vijf jaren niet zal ophouden op het vakantiepark Roompot Kijkduin te Den Haag. Gelet op het hoge recidiverisico en gelet op het feit dat de verdachte al eerder is veroordeeld voor (woning)inbraken, waaronder op voornoemd vakantiepark, is de rechtbank van oordeel dat deze maatregel noodzakelijk is met het oog op beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van ten hoogste zesentwintig weken.

De rechtbank verklaart deze maatregel dadelijk uitvoerbaar, aangezien er – gelet op het strafblad van de verdachte met meerdere veroordelingen ter zake van (woning)inbraken en het hoge recidiverisico – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

7. Vorderingen van de benadeelde partijen

Dagvaarding I

[benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] ,

[benadeelde 9] , [benadeelde 10] , [benadeelde 11] en [benadeelde 12] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een vergoeding gevorderd van geleden materiële en/of immateriële schade, zoals hieronder weergegeven. Het totaal te vorderen bedrag dient telkens te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Benadeelde partij

Materiële schade

Immateriële schade

Totaal

[benadeelde 3]

€ 3.983,17

-

€ 3.983,17

[benadeelde 4]

€ 578,26

€ 5.000,-

€ 5.578,26

[benadeelde 5]

€ 650,-

€ 500,-

€ 1.150,-

[benadeelde 6]

€ 1.477,- en € 187,44 reiskosten

-

€ 1.664,44

[benadeelde 7]

€ 675,-

-

€ 675,-

[benadeelde 8]

€ 3.146,-

-

€ 3.146,-

[benadeelde 9]

€ 600,-

-

€ 600,-

[benadeelde 10]

€ 3.512,50, waarvan reeds € 2.000,- is vergoed

-

€ 1.512,20

[benadeelde 11]

€ 3.512,50, waarvan reeds € 2.000,- is vergoed

-

€ 1.512,20

[benadeelde 12]

€ 725,-

€ 150,-

€ 875,-

Het standpunt van de officier

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met dien verstande dat de reeds door de gemeente Den Haag vergoede bedragen daarop in mindering worden gebracht, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vorderingen van de benadeelde partijen overeenkomstig zijn pleitnota betwist.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte wordt van de aan hem ten laste gelegde feiten vrijgesproken. Daarmee rest de rechtbank geen andere beslissing dan de beslissing om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

Dit maakt dat de benadeelde partijen moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Dagvaarding II

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert vergoeding van geleden materiële schade van € 1.160,89, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade ten aanzien van de fiets dient te worden afgewezen, nu er geen diefstal van een fiets is tenlastegelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Het gevorderde schadebedrag is opgebouwd uit verschillende bedragen, te weten:

- € 655,89 voor ‘schade caravan + schuurtje’;

- € 405,- voor ‘fiets’;

- € 70,- voor ‘hondenmand Trixie’;

- € 30,- voor ‘JBL go zwart’.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘schade caravan/schuur’, is door en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feit. Omdat een bedrag van € 580,89 kennelijk reeds is vergoed, zal de rechtbank dit in mindering brengen op de gestelde schade à € 655,89, zodat de rechtbank de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 75,-.

Ten aanzien van de overige schadeposten (fiets, hondenmand en JBL go box) overweegt de rechtbank als volgt. Aan de verdachte is enkel tenlastegelegd de diefstal door middel van braak van een of meerdere horloges en de verdachte wordt daarvoor veroordeeld. Met betrekking tot voornoemde posten is dan ook geen sprake van rechtstreekse schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Dit maakt dat de rechtbank, voor zover de vordering betrekking heeft op de overige posten, met een totaal van € 505,-, de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 5 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 2]

De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 75,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 38v, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.9 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 en 2 (dagvaarding II):

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vrijheidsbeperkende maatregel artikel 38v Sr inhoudende een gebiedsverbod

legt op de maatregel dat de veroordeelde zich voor de duur van vijf jaren niet zal ophouden in het navolgende gebied: vakantiepark Roompot Kijkduin, Machiel Vrijenhoeklaan 450, 2555 NW Den Haag;

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zesentwintig weken;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Dagvaarding I; vordering van de benadeelde partijen

Bepaalt ten aanzien van:

dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

Dagvaarding II; vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 75,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 2] ;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 75,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 maart 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 1 dag. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.W. Zijlstra, voorzitter,

mr. B.J. van de Griend, rechter,

mr. I.C. Kranenburg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Dagvaarding I

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2025 tot en

met 5 maart 2025 te 's-Gravenhage, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 1] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan (een) onbekende nabestaande(n), in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 2] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan de nabestaande(n) van [naam 1] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 3] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan nabestaande [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 4] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan de nabestaande(n) van [naam 3] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 5] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan de nabestaande(n) van [naam 4] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 6] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan de nabestaande(n) van [naam 5] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 7] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan de nabestaande(n) van [naam 6] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een urn met as, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende

aan nabestaande [benadeelde 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf (nummer onbekend), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan nabestaande [naam 7] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 8] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan (familie van) nabestaande [naam 8] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een entreebord behorende bij het Chinese gedeelte van de begraafplaats, in elk

geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan Stichting Chinese

Herdenkingspark Beheer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

- een grafzerk en/of graf (nummer onbekend), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan nabestaande [benadeelde 10] ), in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf (nummer onbekend), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan nabestaande [naam 9] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 9] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan (familie van) nabestaande [naam 10] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf (nummer onbekend), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan nabestaande [benadeelde 4] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan

verdachte en/of

- een urn met as ( [nummer 10] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan nabestaande [naam 11] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of

- een urn met as ( [nummer 11] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan nabestaande [naam 12] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of

- een urn met as ( [nummer 12] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan nabestaande [naam 13] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf (nummer onbekend), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan nabestaande [naam 14] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 5] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan nabestaande [benadeelde 8] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 13] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan nabestaande [naam 15] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 14] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan nabestaande [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 15] ), in elk geval enig(e)

goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan (familie van) nabestaande [naam 16]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf (nummer onbekend), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan nabestaande [naam 17] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 16] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan nabestaande [benadeelde 12] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of

- een grafzerk en/of graf ( [nummer 17] ), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan nabestaande [naam 18] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2025 tot en

met 5 maart 2025 te 's-Gravenhage een gedenksteen en/of een grafmonument, in

elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan

- [naam 8] en/of

- [naam 9] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met

het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Dagvaarding II

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 februari 2025 tot en met 5 maart 2025 te

’s-Gravenhage één of meerdere horloges, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het

oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen

goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

2.

hij in of omstreeks de periode van 19 februari 2025 tot en met 5 maart 2025 te

’s-Gravenhage één of meerdere kledingstukken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met

het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen

goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking

en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 5 maart 2025 te 's-Gravenhage

[benadeelde 1] heeft bedreigd met brandstichting,

door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen: "ik steek je

huisje/stacaravan in brand/in de fik als je de politie belt", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?