Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/319592-25
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 26 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.W.G.J. IJsseldijk naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 26 februari 2026 - ten laste gelegd dat:
1
[naam 1] en/of NN, op of omstreeks 14 maart 2025 te Schoonhoven, gemeenteKrimpenerwaard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoeringvan het door die [naam 1] en/of NN voorgenomen misdrijf om een of meer(winkel)goederen, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijfsnaam] in elk gevalaan een ander dan aan verdachte en/of [naam 1] en/of NN toebehoorde(n), weg tenemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze(voorgenomen) diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doenvolgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer in die[bedrijfsnaam] aanwezige medewerkers en/of andere personen, te plegen met hetoogmerk om die (voorgenomen) diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken,of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan hetmisdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene teverzekeren, immers heeft/hebben die [naam 1] en/of NN:- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, voorhandengehad en/of aan de aldaar in de [bedrijfsnaam] aanwezige personen getoond en/ofop de aldaar aanwezige personen gericht en/of de slede van dat vuurwapen naarachter gehaald en/of- een mes voorhanden gehad en/of aan de aldaar in de [bedrijfsnaam] aanwezigepersonen getoond en/of met dat mes (dreigend) gezwaaid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 14 maart 2025te Schoonhoven, gemeente Krimpenerwaard, althans in Nederland, opzettelijkbehulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingenheeft verschaft, door:de daders van de poging overval te vervoeren naar Schoonhoven dan wel uitSchoonhoven en/of de locatie van de overval, dan wel van de locatie van de overval;
2hij, op of omstreeks 3 maart 2025 te Schoonhoven, gemeente Krimpenerwaard,althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althansalleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijvingeen gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een diefstal metgeweld in vereniging (artikel 312 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk, een of meer(vlucht)scooters, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde en tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit bewezen kan worden verklaard en vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
De verdachte heeft op de terechtzitting van 26 februari 2026 verklaard dat hij de bijzitter was in de auto die de twee personen heeft opgehaald die op 3 maart 2025 de scooter van [naam 2] , de vriendin van de verdachte, in Schoonhoven hebben neergezet. De verdachte wist op dat moment naar eigen zeggen niet dat het ging om de scooter van [naam 2] . De verklaring van de verdachte wordt niet weersproken door de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen kan ook niet worden opgemaakt dat de verdachte de scooter op 3 maart 2025 in Schoonhoven voorhanden heeft gehad. De rechtbank spreekt de verdachte gelet hierop dan ook vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het onder 1 ten laste gelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025082586, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn – Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 298).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 14 maart 2025 (p. 10);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 maart 2025 (p. 18);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 maart 2025 (p. 35);
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 maart 2025 (p. 46);
6. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 1] , opgemaakt op 24 november 2025 (p. 272).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
[naam 1] en NN, op 14 maart 2025 te Schoonhoven, gemeenteKrimpenerwaard, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoeringvan het door die [naam 1] en NN voorgenomen misdrijf om een of meer(winkel)goederen, die aan [bedrijfsnaam] toebehoorden, weg tenemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dezevoorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen bedreiging met geweld tegen een of meer in die[bedrijfsnaam] aanwezige medewerkers en/of andere personen, te plegen met hetoogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken,immers hebben die [naam 1] en/of NN:- een vuurwapen voorhandengehad en aan de aldaar in de [bedrijfsnaam] aanwezige personen getoond enop de aldaar aanwezige personen gericht en de slede van dat vuurwapen naarachter gehaald en- een mes voorhanden gehad en aan de aldaar in de [bedrijfsnaam] aanwezigepersonen getoond en met dat mes (dreigend) gezwaaid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 14 maart 2025te Schoonhoven, gemeente Krimpenerwaard, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door:de daders van de poging overval te vervoeren naar Schoonhoven dan wel uitSchoonhoven.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. De officier van justitie heeft hierbij de relevante richtlijn van het Openbaar Ministerie als uitgangspunt genomen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft voorgesteld aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur die gelijk is aan de tijd die de verdachte op de dag van de uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte is medeplichtig geweest aan een poging tot overval op [bedrijfsnaam] in Schoonhoven. De verdachte heeft drie personen, waaronder tenminste één minderjarige jongen (van destijds slechts 14 jaar,) met de auto afgezet in Schoonhoven op een plek waar twee scooters voor het plegen van de overval klaarstonden. Drie personen zijn vervolgens op deze scooters naar de [bedrijfsnaam] gereden. Twee van deze personen, waaronder in ieder geval één minderjarige jongen, zijn daar naar binnengegaan en hebben een groot mes en een vuurwapen getrokken. Dankzij heldhaftig optreden van een van de aanwezige klanten is het bij een poging tot overval gebleven; de desbetreffende klant stapte direct bij binnenkomst van de overvallers naar voren en zei dat “dit niet ging gebeuren”. Daarna hebben de overvallers nagenoeg direct de winkel verlaten en zijn zij op de scooters weer vertrokken naar de plaats waar zij door de verdachte waren afgezet. De verdachte heeft hen ook weer teruggereden naar Utrecht. De verdachte wist dat het de bedoeling was een winkel te overvallen en zou voor zijn werk als chauffeur betaald krijgen.
Dat het in deze zaak goed is afgelopen, is niet te danken aan de verdachte. Integendeel,de verdachte heeft het mogelijk gemaakt dat de daders – waarvan er tenminste één zeer jong was -zwaar bewapend de juwelier zijn binnengegaan op het moment dat daar klanten aanwezig waren. Het behoeft geen nadere uitleg dat hierbij gewonden of zelfs dodelijke slachtoffers hadden kunnen vallen.
Het gaat hier om een zeer ernstig en kwalijk feit dat tot angst en gevoelens van onveiligheid leidt, niet alleen bij de slachtoffers, maar ook bij andere ondernemers in de buurt en in de samenleving in het algemeen. De verdachte heeft enkel aan zijn eigen financieel gewin gedacht en heeft geen oog gehad voor anderen. Ook heeft hij niets gedaan om de zeer jonge overvaller(s) er van te weerhouden de juwelier te overvallen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte is gedagvaard in verband met een woninginbraak op 7 oktober 2025. De verdachte heeft tijdens de terechtzitting verklaard dat hij deze woninginbraak daadwerkelijk heeft gepleegd. Verder blijkt uit het strafblad dat de verdachte vóór 2016 is veroordeeld voor diverse vermogensdelicten waaronder diefstal en heling.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 februari 2026. Daaruit volgt dat geen sprake is van bepaalde problematiek bij de verdachte. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden, vindt de reclassering het zorgelijk dat er sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij een vermogensdelict in georganiseerd verband, waarbij mogelijk minderjarigen zijn aangezet tot het plegen van strafbare feiten. Dit roept bij de reclassering vragen op over het normbesef en de sociale vaardigheden van de verdachte. De reclassering heeft vanwege de eerdere proceshouding van de verdachte en onduidelijkheid op diverse leefgebieden geen inschatting van het recidiverisico kunnen maken. Zij adviseert bij veroordeling van de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod met één van de medeverdachten.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank heeft komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank aansluiting zoekt bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij een overval van een bedrijf als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren. Voor de straftoemeting is daarnaast uiteraard van belang dat het in deze zaak gaat om medeplichtigheid aan een poging overval in vereniging. De rechtbank acht wel strafverhogend dat (tenminste) één minderjarige betrokken is geweest bij dit feit.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden. De rechtbank zal een deel van die straf, groot zes maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 45, 48, 312 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplichtigheid aan poging tot diefstal, voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te makente, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht ;
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [naam 1] , zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.A. van Essen, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. H.G. Egter van Wisserkerke, rechter,
in tegenwoordigheid van A.J.M. Dries, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2026.