ECLI:NL:RBDHA:2026:5044

ECLI:NL:RBDHA:2026:5044

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer NL26.10971
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Uit het arrest Aroja volgt dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan 18 maanden mag bedragen, dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden ook als deze zijn onderbroken door perioden van vrijheid en dat ook perioden van bewaring tijdens de behandeling van een asielaanvraag moeten worden meegerekend. De rechtbank heeft verweerder verzocht om een overzicht van alle inbewaringstellingen van eiser te verstrekken. Uit het verstrekte overzicht blijkt dat eiser alleen al op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw voorafgaand aan het bestreden besluit al langer dan 18 maanden in bewaring is gehouden ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit. Dit betekent dat verweerder eiser op 24 februari 2026 niet opnieuw deze maatregel van bewaring kon opleggen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.10971

(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),

en

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft afstand gedaan van het recht om gehoord te worden en zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank op 9 maart 2026 het onderzoek heropend en verweerder verzocht om nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft dat op 10 maart 2026 gedaan en eiser heeft daarop dezelfde dag gereageerd. Partijen hebben afgezien van een nadere behandeling ter zitting en de rechtbank heeft het onderzoek op 11 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

57 In de tweede plaats moet in herinnering worden gebracht dat artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115 tot doel heeft te waarborgen dat de bewaring met het oog op verwijdering hoe dan ook niet langer duurt dan achttien maanden of, in voorkomend geval, dan de kortere maximale termijn die de betrokken lidstaat krachtens deze bepalingen heeft vastgesteld (zie in die zin arrest van 30 november 2009, Kadzoev, C357/09 PPU, EU:C:2009:741, punt 37).
58 In dit verband heeft het Hof onder meer geoordeeld dat bij de berekening van de krachtens artikel 15, leden 5 en 6, van deze richtlijn vastgestelde duur van de bewaring met het oog op verwijdering de periode moet worden meegeteld waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit was geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land, wanneer de betrokkene gedurende de procedure waarin dat verzoek werd behandeld, krachtens die bepalingen in bewaring werd gehouden, zelfs indien dat ten onrechte gebeurde (zie in die zin arrest van 30 november 2009, Kadzoev, C357/09 PPU, EU:C:2009:741, punten 40, 47 en 48).
59 De periode van bewaring die is verstreken gedurende de procedure waarin de rechter toetst of het verwijderingsbesluit rechtmatig is, dient ook in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de krachtens artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115 vastgestelde maximale bewaringsduur, ook al is de uitvoering van dat besluit geschorst (zie in die zin arrest van 30 november 2009, Kadzoev, C357/09 PPU, EU:C:2009:741, punten 51 en 53)”.

1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1982.

Wat voert eiser aan in beroep?

2. Eiser voert aan dat de maximale duur van bewaring van 18 maanden is overschreden en heeft daarbij verwezen naar het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Eiser stelt dat hieruit volgt dat artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn zo moet worden uitgelegd dat, om vast te stellen of de maximale bewaringsduur is bereikt, alle perioden van bewaring die een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land in een lidstaat op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn heeft ondervonden ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld. Omdat eiser op grond van een en hetzelfde terugkeerbesluit, dat dateert van 3 januari 2017, meer keren in bewaring is gesteld, is de termijn van 18 maanden ruimschoots overschreden. De maatregel van bewaring is daarom vanaf het moment van opleggen onrechtmatig.

Artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn en het arrest Aroja

3. In artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn staan de regels voor het in bewaring houden van een onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt.In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat iedere lidstaat een maximale bewaringsduur vaststelt die niet meer dan zes maanden mag bedragen.In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat de lidstaten de in het vijfde lid bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden kunnen verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:

a. a) de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt, of

b) de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten.

4. In de punten 56 tot en met 59 van het arrest Aroja staat:

“56 Gelet op een en ander kan niet worden aanvaard dat elke nieuwe inbewaringstelling die ertoe strekt een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land krachtens artikel 15, lid 5 of lid 6, van richtlijn 2008/115 ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit te verwijderen, een nieuwe periode van bewaring doet ingaan, wat als gevolg zou hebben dat de eerdere perioden van bewaring ter uitvoering van dat besluit niet in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de door de betrokken lidstaat krachtens een van deze bepalingen vastgestelde maximale bewaringsduur in een concreet geval is bereikt. Gelet op de ernst van deze inmenging in het in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid en rekening houdend met het belang van dat recht, wordt aan deze conclusie niet afgedaan door de omstandigheid dat deze perioden van bewaring zijn onderbroken door perioden van vrijheid.

5. Het Hof verklaart in punt 101 van het arrest Aroja, na deze overwegingen, voor recht:

“Artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven moet aldus worden uitgelegd dat alle perioden van bewaring die een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land op grond van artikel 15 van die richtlijn ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit in die lidstaat heeft uitgezeten, moeten worden samengeteld om te bepalen of de krachtens een van deze bepalingen vastgestelde maximale bewaringsduur is bereikt.”

Is eiser langer dan de maximale bewaringsduur van achttien maanden in bewaring gehouden?

6. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Aroja volgt dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen, dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden ook als deze zijn onderbroken door perioden van vrijheid en dat ook perioden van bewaring tijdens de behandeling van een asielaanvraag moeten worden meegerekend.

7. De rechtbank heeft verweerder verzocht om een overzicht van alle inbewaringstellingen van eiser te verstrekken. Uit het verstrekte overzicht blijkt dat eiser alleen al op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw onder meer in de perioden 5 september 2017 - 19 februari 2018, 9 april 2018 - 5 februari 2019, 7 maart 2019 - 20 maart 2019 en 30 september 2019 - 12 maart 2020 in bewaring is gehouden. En overigens ook daarna nog. De rechtbank concludeert dat eiser, gelet op deze inbewaringstellingen, voorafgaand aan het bestreden besluit al langer dan achttien maanden in bewaring is gehouden ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit. Dit betekent dat verweerder eiser op 24 februari 2026 niet opnieuw deze maatregel van bewaring kon opleggen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Omdat de rechtbank het beroep hierom al gegrond verklaart, is het niet nodig de overige beroepsgronden te bespreken. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.

9. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 16 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 16 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.920,-.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van vandaag;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.920,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Kraefft

Griffier

  • mr. F. Aden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?