ECLI:NL:RBDHA:2026:5046

ECLI:NL:RBDHA:2026:5046

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer NL25.40171 en NL25.40172
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

Eiser komt uit Turkije. Hij vreest voor vervolging door de Turkse autoriteiten omdat hij door de autoriteiten als Gülenaanhanger zou worden gezien. Hij heeft asiel gevraagd in Nederland. Verweerder heeft dat afgewezen. Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft ten eerste niet goed gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Turkije. Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel. Ten derde heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom het familie- en gezinsleven van eiser zich niet verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.40171 (beroep) en NL25.40172 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S. Thelosen),

en

(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).

1. Eiser komt uit Turkije. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij vreest voor vervolging door de Turkse autoriteiten omdat hij door de autoriteiten als Gülenaanhanger zou worden gezien. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen omdat eiser zijn vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft ten eerste niet goed gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Turkije. Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel. Ten derde heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom het familie- en gezinsleven van eiser zich niet verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit.

Het beroep van eiser is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Ook waren de ouders en zus van eiser op de zitting aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser is geboren op [datum] 2003 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Hij vreest voor vervolging door de Turkse autoriteiten omdat zij hem als Gülenaanhanger zien. Eiser is op zijn veertiende opgeroepen voor verhoor en vervolgens op zijn zestiende onrechtmatig verhoord als verdachte door de officier van justitie van terreurbestrijding in Turkije. In dit verhoor is aan eiser onder andere gevraagd of hij een bankrekening heeft bij Bank Asya en of hij banden heeft met de FETO, en zijn er aan hem vragen gesteld over het gebruik van de Bylock app. Zijn ouders zijn Gülenaanhangers en zijn door de Turkse autoriteiten veroordeeld tot een gevangenisstraf vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eisers naam komt voor in de dossierstukken in de strafzaak tegen zijn vader als zijnde de gebruiker van de Bylock app. Eiser stelt dat hij niet betrokken is bij de Gülenbeweging maar dat hij tijdens zijn schooltijd wel bijles heeft gehad van vrijwilligers van deze beweging en heeft deelgenomen aan activiteiten die door hen werden georganiseerd. Omdat eiser vreesde te worden vervolgd door de Turkse autoriteiten is hij op zijn achttiende, in 2022, uit Turkije gevlucht. Hij is eerst met een studievisum naar Duitsland gereisd. Hier heeft hij gedurende enige tijd verbleven. Vervolgens is hij naar Nederland gereisd, waar hij na ongeveer zes maanden asiel heeft aangevraagd. Sinds zijn vertrek is hij nog één keer teruggekeerd naar Turkije, in 2023. Eisers ouders zijn, enige tijd nadat eiser voor de tweede keer was vertrokken uit Turkije, ook uit Turkije gevlucht en hebben in Nederland een verblijfsvergunning asiel gekregen.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:

1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. dat eiser is verhoord in het kader van het strafrechtelijk proces tegen zijn vader.

Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Verweerder gelooft dat eiser is verhoord door de officier van justitie in Turkije over het gebruik van de Bylock app, maar vindt het niet aannemelijk dat eiser op dit moment vervolgd wordt dan wel bij terugkeer naar Turkije vervolgd zal worden door de Turkse autoriteiten. Verweerder geeft hiervoor de volgende redenen. Ten eerste betekent het feit dat eisers ouders veroordeeld zijn wegens lidmaatschap van de Gülenbeweging niet zonder meer dat ook eiser vervolgd zal worden. In het algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 staat dat met name familieleden van hooggeplaatste Gülenisten konden rekenen op negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten. Niet is gebleken dat de ouders van eiser hooggeplaatste Gülenisten zijn. Ten tweede heeft eiser geen stukken overgelegd die aannemelijk maken dat hij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat en heeft hij geen inspanningen verricht om aan dergelijke documenten te komen. Zo heeft eiser geen moeite gedaan om toegang te krijgen tot zijn “Uyap” account of om via een advocaat inzage te krijgen in zijn dossier. Verder betrekt verweerder dat eiser op legale wijze in en uit Turkije heeft kunnen reizen, hetgeen niet alleen aangeeft dat er geen uitreisverbod tegen hem is uitgevaardigd, maar ook afdoet aan de gestelde vrees voor vervolging omdat eiser hiermee een bewust risico heeft genomen. Ten slotte heeft eiser al sinds 2022 in veilige landen verbleven zonder asiel aan te vragen. Hij heeft pas na ruim zes maanden illegaal in Nederland te hebben verbleven asiel aangevraagd. Dit doet volgens verweerder eveneens afbreuk aan zijn vrees voor vervolging. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser door de Turkse autoriteiten wordt toegedicht Gülenaanhanger te zijn.

Verweerder heeft niet ambtshalve beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM omdat eiser niet binnen zes maanden na binnenkomst in Nederland asiel heeft aangevraagd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit wel getoetst of eiser in aanmerking komt voor een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw en heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat eiser niet aan alle voorwaarden voldoet zoals vastgelegd in paragraaf C2/4.1.2.1 van de Vc. Eiser heeft tijdens zijn meerderjarigheid tot aan het vertrek van zijn ouders niet altijd onafgebroken in gezinsverband met hen samengeleefd. Hij heeft namelijk gedurende een periode van bijna een jaar in Nederland en Duitsland verbleven terwijl zijn ouders nog in Turkije waren. Voorts staat volgens verweerder vast dat eiser niet noodzakelijkerwijs Turkije heeft moeten verlaten, wat blijkt uit het gegeven dat eiser geen asielvergunning krijgt. Bovendien heeft eiser pas na ruim zes maanden na zijn vertrek uit Turkije asiel aangevraagd, en daarmee was het zijn eigen keuze en verantwoordelijkheid om tot die tijd zelfstandig en buiten zijn gezinsverband, in Nederland te verblijven.

Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Daarbij heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd waarin is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten.

Is de beleidswijziging van 1 december 2023 onrechtmatig?

5. Eiser voert aan dat sprake is van groepsvervolging van (toegedichte) Gülenisten in Turkije en dat mede gelet daarop de beleidswijziging die is ingevoerd op 1 december 2023, vanaf welk moment niet langer alle (toegedichte) Gülenaanhangers in aanmerking komen voor een asielvergunning, onrechtmatig is. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat de mate van strafrechtelijke vervolging ten aanzien van Gülenaanhangers en de willekeur die hierbij gepaard gaat is afgenomen. Eiser verwijst in dit verband onder andere naar een rapport van de Finse immigratiedienst van juni 2024, het algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 en naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 15 augustus 2024 en van zittingsplaats Groningen van 13 november 2024.

De rechtbank volgt eiser niet. In de uitspraak van 25 november 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de beleidswijzing van 1 december 2023 niet onrechtmatig is. In die uitspraak overweegt de rechtbank dat de situatie voor Gülenisten in Turkije weliswaar zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder meer bescherming diende te bieden dan hij met het gewijzigde beleid doet. Deze lijn is meer recentelijk herhaald door de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, in de uitspraak van 16 januari 2026. De rechtbank volgt deze lijn. Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt niet dat de rechtbank tot een ander oordeel moet komen.

Wat betreft eisers stelling dat sprake is van groepsvervolging overweegt de rechtbank als volgt. In het geval van groepsvervolging zou het enkele behoren tot de groep van (toegedichte) Gülenisten al voldoende zijn om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als (toegedichte) Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. (Toegedichte) Gülenisten zijn nog steeds het doelwit van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten, maar uit de algemeen ambtsberichten Turkije van 2023 en 2025, en ook uit de door eiser overgelegde informatie, volgt niet dat sprake is van groepsvervolging.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?

6. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben beslist op zijn aanvraag, het oude beleid nog van toepassing zijn geweest en zou zijn asielaanvraag zijn ingewilligd. Eiser wordt dus benadeeld als rechtsreeks gevolg van de te late beslissing van verweerder. Daarom moet het oude beleid nog worden toegepast bij de beoordeling van de aanvraag.

De rechtbank volgt eiser niet en verwijst daartoe naar de hiervoor aangehaalde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 november 2025. Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht in een ongunstigere positie komt is daarvoor onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken. Dat verweerder ruim na de beslistermijn heeft beslist op de asielaanvraag is geen bijzondere omstandigheid. De beroepsgrond slaagt niet.

Had verweerder het beleid voor risicoprofielen moeten toepassen?

7. Eiser voert aan dat verweerder een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd. Eiser wordt door de Turkse autoriteiten als Gülenaanhanger gezien en daarom is het beoordelingskader van risicoprofielen van toepassing. Eiser stelt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet aannemelijk is dat hij door de Turkse autoriteiten als Gülenaanhanger wordt gezien. Eiser meent dat hij dit wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt en wijst daarbij op de volgende omstandigheden. Hij is op minderjarige leeftijd verhoord als verdachte van een zogenaamd FETO-misdrijf, hij wordt in het strafdossier van zijn vader genoemd als gebruiker van de Bylock app, zijn beide ouders zijn vervolgd en veroordeeld waarmee de negatieve aandacht ook op eiser gericht zal zijn, hij heeft bijles gekregen van vrijwilligers van de Gülenbeweging.

De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser niet tot het risicoprofiel (toegedicht) Gülenaanhangers behoort en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft in het beleid voor Turkije onder andere de volgende groep als risicoprofiel aangemerkt: “(toegedichte) Gülen-aanhangers’’.

De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn over de volgende feiten. Eiser is op veertienjarige leeftijd opgeroepen voor verhoor. Vervolgens is hij op zestienjarige leeftijd onrechtmatig verhoord door de officier van justitie van terreurbestrijding in Turkije in plaats van door een officier van justitie voor kinderzaken. Hij heeft gebruik gemaakt van de Bylock app en de Turkse autoriteiten zijn hiervan op de hoogte. Eiser heeft deelgenomen aan activiteiten die werden georganiseerd door mensen van de Gülenbeweging. Zijn ouders zijn Gülenaanhangers en zijn om die reden vervolgd en veroordeeld door de Turkse autoriteiten.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat tussen partijen wel in geschil is de vraag of eiser op minderjarige leeftijd is verhoord als verdachte, zoals eiser verklaart, of enkel is verhoord in het kader van het strafproces tegen zijn vader, waar verweerder vanuit gaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van de verklaringen van eiser niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser enkel is verhoord in het kader van het strafproces tegen zijn vader. De verklaringen van eiser die zien op zijn verhoor, welke door verweerder geloofwaardig zijn geacht, wijzen er namelijk op dat eiser is verhoord als verdachte. Zo verklaart eiser in zijn nader gehoor dat de Turkse autoriteiten een zaak tegen hem zijn begonnen omdat hij gebruik zou hebben gemaakt van de Bylock app, dat de autoriteiten toen zij hem opriepen eerst niet wisten dat hij veertien jaar was en daardoor ter plekke bleek dat hij niet kon worden gehoord maar dat hij wel zes uur lang werd vastgehouden en dat hij in 2019 alsnog is gehoord door een officier van justitie van de terreurafdeling, hetgeen onrechtmatig was. Ook heeft eiser verklaard dat hij tijdens het verhoor niet mocht staan, dat hij werd bedreigd, uitgescholden en erg onder druk is gezet, dat ook zijn advocaat onder druk werd gezet, dat hij is uitgemaakt voor terrorist en dat tijdens het verhoor is gedreigd met arrestatie en gevangenisstraf. Ook blijkt uit de verklaringen van eiser dat hem in het verhoor is gevraagd naar zijn eigen activiteiten, hetgeen wordt bevestigd door het ingebrachte proces-verbaal van het verhoor. Dit proces-verbaal is, zo begrijpt de rechtbank uit eisers verklaringen, door hem verkregen los van het dossier van zijn vader. Dit zijn sterke aanwijzingen dat de autoriteiten specifiek in eiser geïnteresseerd waren en hem niet enkel als getuige in het kader van zijn vaders strafzaak hebben verhoord, zoals verweerder suggereerde.

Op basis van bovengenoemde omstandigheden heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser door de Turkse autoriteiten niet als Gülenaanhanger is gezien. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het beleid van risicoprofielen zoals opgenomen in paragraaf C5/34.3.2. van de Vc op eiser van toepassing is. Voor zover verweerder vindt dat deze omstandigheden alsnog geen aanleiding geven om uit te gaan van het risicoprofiel (toegedicht) Gülenist, is het aan verweerder om dit beter te motiveren. Dat eiser, zoals verweerder heeft gesteld, thans niet in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten, is daarvoor onvoldoende.

De beroepsgrond slaagt en dat betekent dat het beroep reeds hierom gegrond is.

Tussenconclusie

8. Ter zitting heeft verweerder zich subsidiair op het standpunt gesteld dat in het geval dat eiser wel zou vallen onder het beleid voor risicoprofielen, hij nog steeds niet voldoet aan het individualiseringsvereiste. Verweerder verwijst daarvoor naar het bestreden besluit waarin hij heeft gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank is met verweerder eens dat ook voor een vreemdeling die valt onder een risicoprofiel, het individualiseringsvereiste blijft gelden en dat geen aangepaste bewijslastverdeling geldt. Dat eiser behoort tot een groep die is aangemerkt als risicoprofiel, is op zichzelf niet voldoende voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Uit paragraaf C2/2.4 van de Vc volgt dat als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, verweerder de individuele omstandigheden van het geval beoordeelt, afgezet tegen de positie van de groep en algemene (veiligheidssituatie) in het land van herkomst. Aan de hand van individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt verweerder of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en daarmee niet aan het individualiseringsvereiste voldoet. Dit in het kader van de vraag of de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kan laten.

Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft?

9. Eiser voert, kort samengevat, aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Het bestreden besluit bevat volgens eiser op verschillende punten een motiveringsgebrek. De rechtbank zal deze punten hieronder behandelen. De rechtbank komt hierbij tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft.

Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn

10. Eiser stelt dat artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn op hem van toepassing is omdat hij in het verleden al is vervolgd. Volgens eiser valt een verhoor als verdachte om politieke redenen onder de definitie van daad van vervolging. Feitelijk is het zo dat eiser strafrechtelijk vervolgd is in Turkije, omdat je al van strafrechtelijke vervolging kan spreken als het proces zich nog in de onderzoeksfase bevindt. Verweerder heeft dan ook miskend dat artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn van toepassing is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn niet op eiser van toepassing is. Verweerder betrekt bij zijn beoordeling namelijk alleen dat eiser is verhoord in het kader van het strafproces tegen zijn vader. Zoals onder 7.4 en 7.5 overwogen heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet op dit standpunt kunnen stellen gelet op de geloofwaardig geachte verklaringen van eiser. Ook heeft verweerder andere omstandigheden die voor deze beoordeling relevant kunnen zijn niet betrokken bij de beoordeling of al dan niet sprake is geweest van een daad van vervolging in de zin van de Kwalificatierichtlijn. Hierbij kan worden gedacht aan de grote druk in Turkije op personen die beschuldigd werden van betrokkenheid bij de Gülen-beweging in de tijd dat eiser is verhoord, het feit dat eiser op minderjarige leeftijd en op onrechtmatige wijze is verhoord waarbij eiser en zijn advocaat onder druk zijn gezet en eiser uitgescholden en beledigd is en voor terrorist is uitgemaakt. De wijze waarop eiser is behandeld door de Turkse autoriteiten leidt vanwege zijn toenmalige leeftijd eerder tot de conclusie dat hij is vervolgd. Verweerder had beter moeten motiveren waarom artikel 4, vierde lid, van deze richtlijn niet van toepassing is. Het besluit bevat op dit punt dan ook een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Subjectieve vrees voor vervolging

11. Eiser betwist het standpunt van verweerder dat de omstandigheden dat eiser onvoldoende inspanning zou hebben geleverd om zijn asielaanvraag te onderbouwen, hij tussentijds een periode is teruggekeerd in Turkije en hij pas na enige tijd zijn asielaanvraag heeft ingediend, afbreuk doet aan de gegronde vrees voor vervolging. De vraag of eiser gegronde vrees heeft vereist immers een objectieve beoordeling en het doet daarbij niet ter zake in welke mate eiser die vrees subjectief heeft ervaren. Eiser verwijst daartoe naar een conclusie van de Advocaat-Generaal Ćapeta in het arrest Ebilum van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), waarin de Advocaat-Generaal heeft bevestigd dat het bestaan van een gegronde vrees een objectieve beoordeling is en daarom op basis van objectieve criteria moet worden vastgesteld.

De rechtbank volgt het betoog van eiser in zoverre dat het al dan niet bestaan van een gegronde vrees voor vervolging met name, zo niet volledig, een beoordeling is die aan de hand van objectieve omstandigheden dient te worden vastgesteld. Verweerder kan niet enkel op basis van het ontbreken van een subjectieve vrees tot de conclusie komen dat geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Verweerder dient bij de beoordeling juist objectieve omstandigheden te betrekken. In het geval van eiser heeft verweerder het asielmotief geloofwaardig geacht, maar de daaruit voorvloeiende vrees voor vervolging niet aannemelijk gevonden. Voor zover verweerder deze conclusie voornamelijk baseert op de omstandigheid dat eiser geen subjectieve vrees voor vervolging heeft, bijvoorbeeld omdat hij niet direct na aankomst in Duitsland of Nederland asiel heeft aangevraagd, hij enige tijd naar Turkije is teruggekeerd of omdat hij meer bewijs had kunnen verzamelen in Turkije, is sprake van een motiveringsgebrek.

Eisers tussentijdse terugkeer naar Turkije

12. Eiser stelt dat verweerder hem ook om een andere reden ten onrechte tegenwerpt dat hij sinds zijn vertrek is teruggekeerd naar Turkije. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 8 augustus 2024, waarin de rechtbank heeft bevestigd dat een tussentijdse terugkeer niet zonder meer betekent dat de gevaren zijn geweken. Daarnaast is eiser teruggekeerd naar Turkije omdat hij vreesde voor een ernstige medische aandoening, en hij voelde dat hij moest kiezen tussen twee kwaden. Eiser meent dat zijn tussentijdse terugkeer naar Turkije ook om die reden niet afdoet aan de vrees voor vervolging.

De rechtbank volgt eiser in zoverre dat verweerder de tussentijdse terugkeer naar Turkije niet sterk heeft mogen meewegen in het kader van de gegrondheid van de vrees voor vervolging. Zoals hiervoor overwogen is de vraag of sprake is van gegronde vrees namelijk met name een objectieve beoordeling. Verweerder heeft het feit dat eiser zonder problemen heeft kunnen reizen naar Turkije en aldaar een periode zonder problemen heeft kunnen verblijven, echter wel mogen betrekken in de beoordeling, nu dit om een objectieve vaststelling gaat en niet ziet op eisers subjectieve vrees. In dat kader heeft verweerder eisers tussentijdse terugkeer dan ook mogen betrekken in zijn beoordeling van de vrees voor vervolging. De beroepsgrond slaagt niet.

Familiebestraffing

13. Eiser voert aan dat er in Turkije sprake is van een situatie van “sippenhaft”, oftewel familiebestraffing. Familieleden van personen die vanwege FETO-betrokkenheid worden vervolgd, lopen gevaar enkel omdat hun familie om die reden is vervolgd. Uit landeninformatie volgt volgens eiser niet dat dit enkel opgaat voor familie van hooggeplaatste Gülenaanhangers. Bovendien is het volgens eiser onduidelijk wat hooggeplaatst betekent in deze context, nu de Gülenbeweging geen hiërarchische organisatie is. Verweerder heeft niet gemotiveerd wat moet worden verstaan onder hooggeplaatst en waarom de familie van eiser hier niet onder valt. Los daarvan stelt eiser dat zijn vader wel als hooggeplaatst lid wordt gezien door de Turkse autoriteiten, omdat hij de hoogste gradatie toebedeeld heeft gekregen, namelijk categorie A5, zoals blijkt uit het overgelegde onderzoeksrapport uit het strafdossier van zijn vader.

De rechtbank volgt eiser niet. De verwijzing van eiser naar de A5 codering in het onderzoeksrapport is naar oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat de ouders van eiser door de autoriteiten als hooggeplaatst lid van de Gülenbeweging worden beschouwd. Dit onderzoeksrapport is allereerst niet vertaald, waardoor niet beoordeeld kan worden of categorie A5 inderdaad de hoogste, dan wel een hoge, gradatie betreft. Eiser heeft wel van delen van het rapport vertalingen ingebracht, opgesteld met behulp van Google translate. Daarnaast heeft de tolk ter zitting enige delen vertaald. Hieruit kan de rechtbank echter ook de relatieve hooggeplaatstheid niet opmaken. Daarvoor is een bredere vertaling nodig en/of andere informatie waaruit blijkt dat deze categorie wordt gebruikt voor hooggeplaatste leden. Niet uitgesloten kan worden dat de andere coderingen in het rapport een hogere gradatie impliceren.

Verder heeft eiser geen andere omstandigheden aangevoerd, zoals de door zijn ouders verrichte activiteiten binnen de beweging of de lengte van hun gevangenisstraf, waarmee hij de positie van zijn ouders binnen de beweging had kunnen onderbouwen.

Eisers stelling dat verweerder hier onderzoek naar had moeten doen omdat verweerder toegang heeft tot het dossier van zijn ouders volgt de rechtbank niet. De samenwerkingsverplichting strekt namelijk niet zo ver dat verweerder uit eigen beweging de dossiers van eisers ouders had moeten betrekken bij deze beoordeling. Het is immers in de eerste plaats aan eiser om aannemelijk te maken dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft en niet is gebleken dat eiser zelf geen beschikking had tot deze informatie. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn ouders hooggeplaatste Gülenisten zijn en dat hij enkel daarom al een verhoogd risico loopt op vervolging. De beroepsgrond slaagt niet. De bewijsmiddelen

14. Eiser stelt dat verweerder de bewijsmiddelen afkomstig uit het dossier van zijn vader onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken, omdat zij eisers gestelde vrees onderbouwen.14.1. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft in dit kader gerefereerd aan een ingediend “Bylock onderzoeksrapport”, waarin de Turkse autoriteiten een dossiernummer zouden hebben weggehaald. Anders dan eiser heeft gesteld volgt daaruit op zich nog niet dat er een strafrechtelijk onderzoek loopt naar eiser. Ook heeft eiser gerefereerd aan vertaalde chatberichten waaruit zou blijken dat eiser de app heeft gebruikt en heeft gecommuniceerd met ene Ersoy, die een Gülen-aanhanger zou zijn; een vertaald stuk uit 2018 van Turkse autoriteiten waarin eiser wordt genoemd als gebruiker van de app; en het hiervoor al genoemde onderzoeksrapport. De eerste twee stukken bevestigen dat eiser de app heeft gebruikt. Verweerder heeft mogen stellen dat dit op zich niet voldoende is om negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten aan te nemen. Op het derde stuk is de rechtbank hiervoor ingegaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een afgeleide vergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw?

15. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte concludeert dat geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Volgens eiser voldoet hij wel aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw. Hij voldoet weliswaar niet aan de voorwaarde dat hij tot het vertrek van zijn ouders in gezinsverband heeft samengewoond, maar dit komt enkel omdat hij noodgedwongen heeft moeten vluchten. Eiser en zijn ouders hebben de inschatting gemaakt dat hij na zijn achttiende een verhoogd risico zou lopen op verdere vervolging en hebben daarom besloten dat eiser moest vluchten. Verweerder stelt zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt dat omdat eiser nu niet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel, daarmee vaststaat dat hij niet noodgedwongen is gevlucht. Eiser zou immers op basis van verweerders beleid dat gold ten tijde van zijn asielaanvraag, wel een asielvergunning hebben gekregen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder, naar aanleiding van wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een afgeleide verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw. Verweerder heeft voor die beoordeling aangesloten bij het beleid zoals opgenomen in paragraaf C2/4.1.2.1. van de Vc. Op basis van dit beleid neemt verweerder aan dat een meerderjarig kind feitelijk tot het gezin behoort als er sprake is van zodanige afhankelijkheid dat het meerderjarig kind om die reden tot het gezin behoort. Deze afhankelijkheid toetst verweerder aan de hand van drie cumulatieve voorwaarden. In dit geval werpt verweerder eiser de derde voorwaarde tegen, namelijk dat hij tot aan het vertrek van zijn ouders niet altijd in gezinsverband met hen heeft samengeleefd. Verweerder heeft in zijn beleid niet aangesloten bij het jongvolwassenen-beleid.

Naar het oordeel van de rechtbank berust voormelde tegenwerping van verweerder niet op een deugdelijke motivering. Op basis van verweerders beleid zoals opgenomen in paragraaf C2/4.1.2.1. van de Vc werpt verweerder geen feiten en omstandigheden tegen die noodgedwongen door de vlucht zijn ingegeven. Dat de derde voorwaarde uitgaat van vertrek door de ouders gevolgd door vertrek door het meerderjarige kind, maakt dit niet anders. Een letterlijke lezing van de derde voorwaarde zou ertoe leiden dat eiser per definitie niet voor een afgeleide verblijfsvergunning in aanmerking zou kunnen komen, omdat hij als eerste is vertrokken. Dit heeft verweerder niet gesteld en zou de rechtbank ook niet juist achten.

Verweerders standpunt dat eiser niet noodgedwongen is gevlucht omdat zijn asielaanvraag niet is ingewilligd volgt de rechtbank niet. Dat verweerder tot de conclusie is gekomen dat hij op dit moment geen recht heeft op asiel, betekent niet zonder meer dat het gezinsverband destijds vrijwillig is verbroken. Verweerder houdt namelijk geen rekening met de veranderde situatie voor (toegedichte) Gülenisten tussen 2022 en heden, terwijl die laatste situatie leidend is voor de beoordeling of eiser nu recht heeft op asiel. Het gegeven dat eiser op dit moment geen asielvergunning krijgt, betekent niet dat hij in 2022 geen reden had om te vrezen voor vervolging. Voor zover verweerder van mening is dat eiser op het moment van vertrek niet in redelijkheid heeft mogen denken dat hij gevaar liep, is het aan verweerder om dat beter te motiveren. Het besluit bevat op dit punt dan ook een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Had verweerder moeten beoordelen of het gezins- en familieleven van eiser zich verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit?

16. Eiser voert, onder verwijzing naar het arrest Adrar van het Hof aan dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit dient te toetsen aan artikel 8 EVRM. Verweerder heeft volgens eiser ondeugdelijk gemotiveerd waarom artikel 8 EVRM zich niet verzet tegen zijn uitzetting. Eiser heeft feitelijk een gezinsleven met zijn ouders in Nederland, is nooit zelfstandig geworden en is altijd financieel en emotioneel afhankelijk geweest van zijn ouders. Doordat er voor zijn ouders een objectieve belemmering bestaat om terug te keren naar Turkije kan dit gezinsleven nergens anders worden uitgeoefend. Zelfs al zou verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat er geen gezinsleven was tussen eiser en zijn ouders in de periode dat hij niet met hen samenwoonde, staat nog steeds vast dat er wel gezinsleven was voor zijn vertrek en na de hereniging in Nederland.

De rechtbank constateert dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit geen beoordeling heeft gemaakt van de gevolgen daarvan voor het familie- en gezinsleven van eiser. Ter zitting heeft verweerder dit bevestigd. Primair stelt verweerder zich namelijk op het standpunt dat hij niet is gehouden een dergelijke beoordeling te maken. Subsidiair stelt verweerder dat indien deze beoordeling wel zou zijn gemaakt, dit niet tot een ander oordeel zou hebben geleid. Verweerder verwijst daartoe naar zijn beoordeling van gezinsleven in het kader van artikel 29, tweede lid, van de Vw.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn is neergelegd dat bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn de lidstaten rekening houden met a) het belang van het kind; b) het familie- en gezinsleven; c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land en dat de lidstaten het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. In verschillende uitspraken heeft het Hof het belang van toetsing aan artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn benadrukt. In het door eiser aangehaalde arrest Adrar verwijst het Hof naar haar vaste rechtspraak en herhaalt zij dat – kort gezegd – alle autoriteiten gedurende de gehele periode van de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde belangen.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het Hof, op hem wel degelijk de verplichting rust om te onderzoeken en te beoordelen of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen aan de orde zijn en mogelijk aan de oplegging van een terugkeerbesluit in de weg staan. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn subsidiaire standpunt dat een dergelijke beoordeling niet tot een ander oordeel had kunnen leiden. Verweerder heeft namelijk, gelet op hetgeen overwogen onder 15.2 en 15.3, niet goed gemotiveerd waarom geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn ouders en heeft daarmee dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen eisers uitzetting. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks de aanvullende motivering van verweerder ter zitting, sprake is van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Is de afschaffing van de bestuurlijke dwangsom in het vreemdelingenrecht in strijd met het Unierecht?

17. Tot slot voert eiser aan dat hij recht heeft op een bestuurlijke dwangsom van € 1442,- omdat het buiten werking stellen van de bestuurlijke dwangsom in enkel het vreemdelingenrecht in strijd is met het discriminatieverbod en het gelijkwaardigheidsbeginsel. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat dit een voorwaardelijke beroepsgrond betreft, die, als het beroep om andere redenen gegrond wordt verklaard, geen bespreking behoeft. Nu de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaart bestaat geen aanleiding om deze beroepsgrond inhoudelijk te behandelen.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit in strijd is met het artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op eisers asielaanvraag. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat gezien het voorgaande er meerdere beroepsgronden slagen. Het nemen van een beslissing is aan verweerder. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met in inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.

Nu er op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten aan eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 augustus 2025;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. O'Sullivan, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?