RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.30028 en NL25.41237
(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 7 juli 2025 en 28 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 28 oktober 2023.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
1. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft op 28 oktober 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw bedraagt de beslistermijn zes maanden. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 28 april 2024 een besluit had moeten nemen.
3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat een besluit op de aanvraag is genomen. Eiser stelt dat hij aan verweerder twee schriftelijke ingebrekestellingen verzonden, namelijk op 17 juni 2025 en op 7 augustus 2025. Eiser heeft in zijn tweede beroepschrift toegelicht dat hij de ingebrekestelling voor de zekerheid op 7 augustus 2025 nog eens heeft ingediend bij verweerder omdat hij vermoedde dat hij de ingebrekestelling van 17 juni 2025 op de verkeerde wijze heeft ingediend. De rechtbank oordeelt dat in elk geval de ingebrekestelling van 7 augustus 2025 rechtsgeldig is ingediend. Uit een door eiser overgelegde verzendbevestiging blijkt namelijk dat eiser de ingebrekestelling op 7 augustus 2025 heeft ingediend via de button ‘ingebrekestelling indienen’. Verweerder heeft dat niet betwist.
4. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiser verweerder op 7 augustus 2025 rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken, zonder dat alsnog een besluit door verweerder is genomen, voordat eiser op 28 augustus 2025 beroep heeft ingesteld. Het beroep onder zaaknummer NL25.41237 is daarom kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit zal dan ook worden vernietigd.
5. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling. Omdat de uiterste beslistermijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden, draagt de rechtbank verweerder op om zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100 per dag met een maximum van € 15.000.
7. Het systeem van de Awb maakt dat het niet mogelijk is om twee keer beroep in te stellen tegen hetzelfde besluit. Omdat het beroep onder zaaknummer NL25.41237 ontvankelijk wordt geacht en gegrond wordt verklaard, moet het beroep onder zaaknummer NL25.30028 niet-ontvankelijk worden verklaard.
8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in zaaknummer NL25.41237. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
De rechtbank:
( x) verklaart het beroep onder zaaknummer NL25.41237 gegrond;
( x) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
( x) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
( x) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
( x) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in zaaknummer NL25.41237 tot een bedrag van € 467;
( x) verklaart het beroep onder zaaknummer NL25.30028 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 10 maart 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Bijlage
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023/3 de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd, is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd. Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Voor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht. Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.
Als verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
De rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.
Als eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en/of een dwangsom is verbeurd.
De rechtbank legt een hogere rechterlijke dwangsom op als verweerder niet heeft beslist binnen de termijn die de rechtbank heeft bepaald in een eerdere rechterlijke uitspraak. Indien de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom nog niet is volgelopen, bepaalt de rechtbank dat verweerder de aan de onderhavige uitspraak verbonden rechterlijke dwangsom verbeurt met ingang van de dag nadat de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is volgelopen.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.