[eiser] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein).
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Inleiding
Bij besluit van 14 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is vanwege ziekte niet ter zitting verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak aangehouden om eiser de gelegenheid te geven om te reageren op het door verweerder op 28 oktober 2025 ingediende verweerschrift.
Op 21 november 2025 heeft eiser een reactie gegeven op het verweerschrift. Verweerder heeft daar op 26 november 2025 op gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek op 10 december 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden 1. Eiser heeft op 26 mei 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Hij heeft daarbij aangegeven de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum 1] 2007 (en dus 16 jaar oud te zijn op dat moment). 1.1. De AVIM heeft op 26 mei 2023 een leeftijdsschouw verricht waarin ze hebben geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd omdat eiser ouder overkomt en dat er verder onderzoek naar de leeftijd van eiser plaats zal vinden.
Een medewerker van de IND heeft in het aanmeldgehoor ook een leeftijdsschouw verricht en geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is. Daarna is aan eiser medegedeeld dat er nader onderzoek zal worden verricht naar zijn leeftijd.
Uit Eurodac blijkt dat eiser op 28 april 2023 is aangekomen op Lampedusa en dat eisers vingerafdrukken daar zijn afgenomen op 2 mei 2023. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij later heeft begrepen dat zijn medereizigers voor hem bij de Italiaanse autoriteiten de naam van zijn moeder hebben doorgegeven en dat hij achttien jaar oud was. Hij was erg ziek geworden vanwege de geur van benzine op de boot en daardoor bij aankomst op Lampedusa niet aanspreekbaar.
Verweerder heeft op 14 juli 2023 informatie opgevraagd bij de Italiaanse autoriteiten. Uit de reactie van 25 juli 2023 blijkt dat eiser bekend staat in Italië onder de naam ‘ [naam] ’ met als geboortedatum [datum 2] 2004.
Op 28 juli 2023 heeft verweerder een kennisgeving verstuurd van gewijzigde persoonsgegevens waarin hij eisers geboortedatum aanpast naar [datum 2] 2004. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 12 januari 2024 en een kopie van een doopakte overgelegd ter onderbouwing van de bij verweerder opgegeven geboortedatum. Verweerder heeft het bezwaar op 21 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat de kennisgeving geen besluit is in de zin van de Awb.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Verweerder heeft in het bestreden besluit als geboortedatum van eiser [datum 2] 2004 opgenomen. Het besluit bevat geen inhoudelijke motivering ten aanzien van de opgenomen geboortedatum.
Is de leeftijdsschouw bij de AVIM voldoende inzichtelijk en concludent?
2. Eiser voert aan dat de leeftijdsschouw bij de AVIM niet inzichtelijk en met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. De AVIM concludeert dat er twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd. Niet duidelijk is echter op basis waarvan AVIM dit concludeert, en hoe en welke gedragingen van eiser AVIM bij dit oordeel heeft betrokken. Eiser meent dat op basis van de waarnemingen die beschreven worden in het proces-verbaal niet getwijfeld kan worden aan zijn leeftijd. Niet alleen ziet een deel van de waarnemingen die door de AVIM worden beschreven helemaal niet op het gedrag, maar op het uiterlijk van eiser. Ook mist de op grond van WI 2023/6 vereiste motivering.
Verweerder is in het bestreden besluit niet ingegaan op deze punten. Hij stelt zich in zijn verweerschrift en aanvullend verweerschrift op het standpunt dat de conclusies van de AVIM en de medewerker van de IND beide voldoende inzichtelijk zijn. Omdat er twijfel was over de opgegeven leeftijd, mocht verweerder nader onderzoek doen. Verweerder verwijst in dit kader naar pagina 6 van WI 2025/1. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de leeftijdsschouwen niet voldoende inzichtelijk zijn, er alsnog voldoende aanleiding was om nader onderzoek te doen naar de leeftijd van eiser. Verweerder wijst op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 september 2025.
De rechtbank stelt het volgende vast. In het proces-verbaal van het gehoor door de AVIM worden in het kader van de leeftijdsschouw enkele lichamelijke kenmerken opgesomd. Er staat onder andere: ‘betrokkene heeft geen opvallende kraaienpoten/rimpels om de ogen, betrokkene heeft geen terugwijkende haargrens, betrokkene heeft wel duidelijk zichtbare groeven rond de neus, betrokkene heeft geen grijze haren, betrokkene heeft wel duidelijke zichtbare adamsappel, betrokkene heeft geen stoppels, heeft zich heel gladgeschoren’. Over de uiterlijke kenmerken van eiser wordt het volgende opgenoemd: ‘Betrokkene ziet er erg verzorgd en netjes uit. Uiterlijk en kleding. Betrokkene zijn haren zijn kortgeleden geschoren. Betrokkene zit op het puntje van zijn stoel en kijkt ons verbalisanten uitdagend aan. Betrokkene werkt niet mee aan het beantwoorden van een aantal vragen, betrokkene gaf afwijkende antwoorden. Betrokkene komt uiterlijk en gedrag ouder over dan de opgegeven leeftijd.’ Als conclusie hierop volgt: ‘op basis van bovenstaande verklaringen en signalen oordelen wij unaniem dat geconcludeerd kan worden dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd’.
De rechtbank is van oordeel dat de schouw van de AVIM in deze zaak niet inzichtelijk en concludent is. In het proces-verbaal ontbreekt een verbinding tussen de observaties en de bevindingen en de conclusies die de AVIM daaruit trekt. De schouwers leggen in het proces-verbaal niet uit waarom de lichamelijke kenmerken en het gedrag van betrokkene typerend zijn voor een meerderjarige en waarom juist niet voor een minderjarige. Ook relateren de schouwers hun observaties niet aan specifieke kennis en inzichten over minder- en meerderjarigheid. De rechtbank kan uit het verslag niet opmaken hoe de gedragingen en verklaringen hebben bijgedragen aan de conclusie dat twijfel bestaat over de leeftijd die betrokkene heeft opgegeven.
Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat de schouw van de AVIM in deze zaak niet inzichtelijk en concludent is, mocht verweerder de leeftijdsschouw niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven. De beroepsgrond slaagt.
Verweerder heeft er wel terecht op gewezen dat hij alsnog nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. De rechtbank wijst in dit verband op een uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 volgt dat hierbij als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid geldt en dat het aan verweerder is om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen. De rechtbank zal hierna, om het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten, beoordelen of verweerder hierin is geslaagd.
Heeft verweerder de presumptie van minderjarigheid voldoende ontzenuwd?
3. Eiser heeft in zijn gronden aangevoerd dat verweerder in ieder geval niet zonder nader onderzoek uit had mogen gaan van de leeftijdsregistratie in Italië, maar had moeten onderzoeken op basis waarvan die leeftijdsregistratie tot stand is gekomen: of aan deze registratie brondocumenten ten grondslag hebben gelegen dan wel of er een leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden. Verweerder had niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mogen gaan van de leeftijdsregistratie in Italië. Eiser verwijst naar eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024.
Verweerder erkent in zijn verweerschrift dat het bestreden besluit op dit punt een gebrek bevat in de motivering, maar dat hij terecht uitgaat van de geboortedatum van [datum 2] 2004. Hij wijst erop dat de Afdeling in de door eiser aangehaalde uitspraak duidelijk heeft overwogen dat hij niet zonder meer mag uitgaan van de registratie in een andere lidstaat maar dat dit niet betekent dat er geen waarde meer aan kan worden toegekend. Hij mag die bij het beoordelen van de leeftijd betrekken en daaraan gewicht toekennen. Verweerder wijst hierbij op rechtsoverweging 7.3. van de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de leeftijdsregistratie uit Italië onderdeel is van een breder feitencomplex. Er is geen reden om te twijfelen aan de Italiaanse registratie. Verweerder stelt dat de registratie op de eigen verklaring van eiser is gebaseerd en acht de verklaringen die eiser hierover heeft afgelegd niet plausibel. Dat eiser van 28 april tot 2 mei 2023 buiten bewustzijn zou zijn geweest en dat de Italiaanse autoriteiten in die staat vingerafdrukken zouden hebben afgenomen is niet onderbouwd en niet te volgen. Ook heeft eiser tegenstrijdig verklaard. Enerzijds verklaard hij dat hij zelf verkeerde gegevens heeft opgegeven en anderzijds dat zijn medereizigers dat hebben gedaan. Verder heeft eiser over het doorgeven van geboortejaar 2005 verklaard, wat niet strookt met de Italiaanse registratie. Verweerder hecht daarom veel waarde aan de Italiaanse registratie. Daarnaast past de gestelde geboortedatum van [datum 1] 2007 niet bij de door eiser afgelegde verklaringen in het nader gehoor, in tegenstelling tot de in Italië geregistreerde geboortedatum van [datum 2] 2004. Uitgaande van eisers verklaringen in het nader gehoor, zou hij namelijk veertien jaar zijn geweest toen hij de oproep kreeg voor militaire dienstplicht, terwijl uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 2023 (het ambtsbericht van 2023) volgt dat iedere scholier het laatste jaar van zijn schooljaar in training moet in Sawa en dat iedere achttienjarige volgens de wet in Eritrea dienstplichtig is. Uitgaande van de leeftijdsregistratie in Italië, zou eiser zeventien jaar zijn geweest ten tijde van de oproep, wat past bij de landeninformatie hierover. Er zijn volgens verweerder verder geen concrete aanknopingspunten in het ambtsbericht van 2023 dat je als veertienjarige kan worden opgeroepen voor militaire dienstplicht. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat de in kopie overgelegde doopakte beperkte bewijswaarde heeft en dat niet aannemelijk is dat eiser in bewijsnood verkeert. Daarmee heeft verweerder zijns inziens de presumptie van minderjarigheid voldoende ontzenuwd.
Eiser heeft hierop in zijn reactie op het verweerschrift aangevoerd dat, nu hij vindt dat de schouw van de AVIM onvoldoende inzichtelijk en concludent is, de leeftijdsregistratie in Italië enkel op hem zou kunnen worden overgenomen indien aan deze registratie brondocumenten en/of een medisch leeftijdsonderzoek ten grondslag heeft gelegen. Nu dit niet het geval is, kan het vermoeden van minderjarigheid niet worden weerlegd. Verweerder handelt daarmee in strijd met paragraaf 3.4.1. van WI 2025/1. Eiser betwist verder dat hij ontoereikende, afwijkende en tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over zijn leeftijd, de leeftijdsregistratie en omstandigheden bij aankomst. Ook betwist eiser dat de gestelde geboortedatum van [datum 1] 2007 niet past bij de door hem afgelegde verklaringen in het nader gehoor. Verder stelt eiser dat hij met het overleggen van de kopie van zijn doopakte in ieder geval een begin van bewijs heeft geleverd dat hij is geboren op [datum 1] 2007. Eiser wijst er in dit verband ook op dat de bewijslast om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen bij verweerder ligt en niet bij eiser.
Verweerder stelt zich in het aanvullend verweerschrift op het standpunt dat van beide schouwen kan worden uitgegaan. Dat verweerder in strijd zou hebben gehandeld met WI 2025/1, meer specifiek paragraaf 3.4.1, wordt niet gevolgd. Volgens verweerder miskent gemachtigde dat het moet gaan om beide schouwen die tot evidente minderjarigheid hebben geconcludeerd. In dit geval is dan ook paragraaf 3.4.3. van WI 2025/1 van toepassing, en niet paragraaf 3.4.1. Daarom mogen in dit geval de registratie in Italië en de verklaringen van eiser betrokken worden in de beoordeling. Verweerder verwijst hierbij ook naar paragraaf 3.5 van WI 2025/1. Verweerder stelt zich verder – met verwijzing naar het verweerschrift van 28 oktober 2025 – op het standpunt dat voldoende gemotiveerd is welke waarde is gehecht aan registratie in Italië.
De rechtbank constateert dat paragraaf 3.4.1. van WI 2025/1 beschrijft hoe verweerder omgaat met een schouw waarvan de uitkomst evident minderjarig is. Paragraaf 3.4.3. van WI 2025/1 beschrijft hoe verweerder omgaat met een schouw waarvan de uitkomst twijfel is. Hoe de uitkomst van een schouw wordt bepaald staat in paragraaf 3.2: er moet in beide sessies evident minder- of meerderjarig zijn geconcludeerd om tot evidente minderjarigheid respectievelijk evidente meerderjarigheid te komen. Elke andere combinatie leidt tot de eindconclusie twijfel. Omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de schouwsessie bij de AVIM niet kon betrekken is hier geen sprake meer van een combinatie van twee leeftijdsschouwen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dus op geen van beide paragrafen worden teruggevallen. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder – zonder de werkinstructie te betrekken – de presumptie van minderjarigheid heeft kunnen weerleggen.
In haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling het volgende overwogen:
‘7.2. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van een vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. Dat betekent dat hij dan van het vermoeden moet uitgaan dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarige moet behandelen. De Afdeling wijst ter vergelijking op artikel 25, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, de paragrafen 139-141, 153 en 154 van het hiervoor genoemde arrest Darboe en Camara en de punten 72 en 73 van het eerdergenoemde arrest K en L. Het is dan aan de minister om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als hij na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal hij dat moeten motiveren.
Bij dit onderzoek zal hij ook moeten samenwerken met de vreemdeling. Daarbij moet hij rekening houden met de belangen van het kind bedoeld in artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag, en vreemdelingen bij het ontbreken van bewijsmateriaal onder bepaalde omstandigheden het voordeel van de twijfel geven. Zie artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, en het arrest van het EHRM van 22 februari 2024, M.H. en S.B. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2024:0222JUD001094017, paragrafen 71, 72 en 79.
Als de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, dan mag hij die bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een brondocument of een medisch leeftijdsonderzoek, dan zal hij hierover navraag moeten doen bij de betreffende lidstaat en nader moeten toelichten waarom hij daaraan al dan niet een bepaalde waarde hecht. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten en/of verklaringen van voogden van Nidos, betrekken.’
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de presumptie van minderjarigheid is weerlegd.
Verweerder heeft niet zorgvuldig onderzocht en niet voldoende gemotiveerd welk gewicht aan de registratie bij de Italiaanse autoriteiten toekomt en waarom. Uit de overgelegde informatie van de Italiaanse autoriteiten blijkt niet wanneer deze registratie heeft plaatsgevonden, door welke autoriteiten en op basis waarvan. Waarom verweerder stelt dat dit op basis van eisers eigen verklaringen is geweest acht de rechtbank dus onduidelijk. Verweerder kan zich er dus niet op beroepen dat een eigen verklaring afbreuk doet aan de gestelde minderjarigheid. Het had dus op de weg gelegen van verweerder om nadere informatie op te vragen bij de Italiaanse autoriteiten voordat hij toekwam aan de vraag of eiser een plausibele verklaring had voor een eigen verklaring. De aannemelijkheid van de verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Italië zegt op zichzelf niets over de waarde die aan de Italiaanse registratie toekomt. Dit geldt ook voor het standpunt van verweerder dat de verklaringen van eiser uit het nader gehoor niet passen bij de door hem gestelde geboortedatum.
Verweerder heeft daarnaast de uitkomst van de schouw van de medewerker van de IND waarin is geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is niet kenbaar betrokken. Dit had, gelet op wat de Afdeling onder 7.3 heeft overwogen in haar uitspraak van 9 oktober 2024, wel gemoeten. Het blijft hiermee onduidelijk wat volgens verweerder de waarde is van deze schouw.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.4, 3.5, 3.5.1 en 3.5.2 kent het bestreden besluit meerdere zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken en is het bestreden besluit dus in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 juni 2024, voor zover daarin de leeftijd van eiser is vastgesteld op [datum 2] 2004;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de geboortedatum, waarbij hij de motivering van deze uitspraak moet betrekken;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.