[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
en [eiseres] B.V., de werkgever, samen: eisers
(gemachtigde: mr. C. Nieuwesteeg),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva).
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juni 2024 afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met het besluit van 20 maart 2025 (bestreden besluit) heeft de minister dat bezwaar ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, haar kantoorgenoot A. van Rosmalen, [persoon1] (arbeidsdeskundige), [persoon2] (namens de werkgever), de gemachtigde van de minister en [persoon3] (namens het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen; UWV).
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag voor een gvva aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser werkt als [functie A] bij de Servische vestiging van [eiseres] B.V. Zijn werkgever wil hem als specialist overplaatsen naar de Nederlandse vestiging, in de functie van [functie B] . De werkgever heeft daarom een aanvraag voor een gvva voor eiser ingediend, met verblijfsdoel ‘overplaatsing binnen een onderneming’ als bedoeld in artikel 3.30d, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), in samenhang met artikel 3, aanhef en onder f, van de richtlijn Intra Corporate Transferees (Richtlijn 2014/66/EU, hierna: ICT-richtlijn).
5. De minister heeft aan het bestreden besluit een advies van het UWV van 18 maart 2025 ten grondslag gelegd. Volgens het UWV-advies, voor zover hier van belang, is eiser geen specialist in de zin van de ICT-richtlijn. De minister stelt zich daarom op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarden in artikel 3.30d van het Vb.
6. Eisers zijn het daar niet mee eens en hebben in beroep een rapport van deskundige [persoon1] van 8 mei 2025 (contra-expertise) overgelegd.
Is eiser een specialist in de zin van de ICT-richtlijn?
7. Het geschil is thans beperkt tot de vraag of eiser een specialist is in de zin van artikel 3, aanhef en onder f, van de ICT-richtlijn.
8. Het UWV is op grond van artikel 3.30d, vierde lid, van het Vb de wettelijk adviseur van de minister in dit soort zaken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een advies van het UWV een deskundigenadvies is aan de minister voor de uitvoering van zijn bevoegdheden. De minister mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is ten aanzien van de wettelijk adviseur neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
9. De contra-expertise die eisers hebben ingebracht biedt concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het UWV-advies van 18 maart 2025. De deskundige heeft gemotiveerd uiteengezet waarom eiser een specialist is in de zin van de ICT-richtlijn. Hij heeft toegelicht dat de taken van een [functie B] vergelijkbaar zijn met die van een [functie C] en dat tussen beide functies vooral een verschil in nadruk op bepaalde aandachtsgebieden bestaat. Verder heeft hij toegelicht dat eiser over het vereiste hoge niveau van specialisatie beschikt en dat zijn specialisatie van wezenlijk belang is voor de Nederlandse vestiging van de onderneming.
10. De minister heeft de ontstane twijfel niet kunnen wegnemen, niet met de in het verweerschrift verwerkte reactie van het UWV en ook niet met de ter zitting gegeven toelichting. De minister benadrukt dat eiser nog niet eerder als [functie B] heeft gewerkt, maar daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd voorbijgegaan aan wat op dit punt in de contra-expertise is vermeld, met name over de overlap tussen de functie van [functie C] enerzijds en [functie B] anderzijds. Bovendien volgt uit artikel 3, aanhef en onder f, van de ICT-richtlijn dat van belang is of eiser over specifieke technische kennis beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank is in de contra-expertise overtuigend toegelicht dat eiser, gelet op diens opleiding en werkervaring, over dergelijke technische kennis – namelijk op het gebied van BIM – beschikt. Dat eiser, zoals de minister heeft aangevoerd, als junior begint in die functie, doet daaraan niet af. In de contra-expertise is namelijk uitgelegd dat de toevoeging ‘junior’ uitsluitend te maken heeft met het aantal jaren ervaring en geen betekenis heeft voor functie-inhoud en/of taakvolwassenheid. Dat eiser als junior in de functie begint, betekent niet dat hij geen specialist in de zin van de ICT-richtlijn kan zijn. Het voorgaande betekent dat de minister het advies van het UWV van 18 maart 2025 niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond, eisers krijgen gelijk. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank de minister niet op het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 20 maart 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.