ECLI:NL:RBDHA:2026:5068

ECLI:NL:RBDHA:2026:5068

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer NL25.16329
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

VK, art. 64 Vw, ingangsdatum niet deugdelijk gemotiveerd: brief psychiater bevat concrete aanknopingspunten voor twijfel aan inhoud BMA-advies over (alternatieve) medicatie Guinee, niet betrokken/voorgelegd, beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.16329

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H.M.M. Van Dooren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van 11 maart 2025, waarbij het bezwaar van eiser gegrond is verklaard en hem uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), met ingang van 19 februari 2025 tot 19 februari 2026 (het bestreden besluit).

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, omdat hij het niet eens is met de ingangsdatum. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Vervangende medicatie

Griffierecht

2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het griffierecht. Hij heeft voldoende aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De rechtbank verleent eiser daarom (definitief) vrijstelling.

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser heeft op 6 februari 2023 een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw ingediend. De minister heeft de aanvraag op 7 februari 2023 ontvangen.

4. Op 9 februari 2023 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) laten weten dat informatie ontbreekt van de behandelaar (psychiater en/of psycholoog) van [GGZ instelling]

betreffende de medische diagnose (DSM 5), klachten, behandeling, medicatie en medische voorgeschiedenis. Ook ontbreekt de toestemmingsverklaring van de behandelaar van [GGZ instelling] . Eiser heeft deze informatie alsnog binnen de door de minister geboden herstelverzuimtermijn overgelegd en op 20 maart 2023 heeft het BMA een advies uitgebracht. Uit het BMA-advies blijkt onder meer dat eiser medische klachten heeft, onder andere passend bij PTSS en een ernstige psychotische stoornis. Bij het uitblijven van behandeling zal een medische noodsituatie ontstaan. Volgens het BMA kan eiser echter onder voorwaarden reizen en is er in Guinee behandeling aanwezig.

5. Eiser heeft op 2 mei 2023 op het BMA-advies gereageerd. Het BMA heeft hier in de nota van 12 juni 2023 op gereageerd. Met het besluit van 26 juni 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen.

6. Eiser heeft op 6 juli 2023 een brief van psychiater [A] ingediend. Op 19 juli 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 26 november 2024 heeft het BMA een aanvullend advies uitgebracht. Daarin blijft het BMA bij de conclusie dat eiser onder voorwaarden kan reizen en er behandeling mogelijk is in Guinee.

7. Eiser heeft op 22 december 2024 op het BMA-advies gereageerd. Op 23 januari 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Eiser heeft zijn bezwaar nog aangevuld, onder andere met een brief van psychiater [B] van 28 januari 2025 over de door het BMA voorgestelde (alternatieve) medicatie. Het BMA heeft hier in de nota van 18 februari 2025 op gereageerd. Op 19 februari 2025 heeft eiser een e-mail van [C] ingediend. Eiser heeft ook een brief van psychiater [B] van 25 februari 2025 ingediend, waarin zij reageert op de nota van het BMA van 18 februari 2025.

8. De minister heeft vervolgens op 11 maart 2025 het bestreden besluit genomen. Daarin heeft de minister uitstel van vertrek verleend omdat uit de e-mail van [C] van 19 februari 2025 blijkt dat de behandeling in Guinee voor eiser feitelijk niet toegankelijk is. De minister hanteert daarom de ingangsdatum van 19 februari 2025.

9. Eiser is het niet mee eens met de ingangsdatum en stelt (primair) dat de ingangsdatum de datum van zijn aanvraag moet zijn. De medicatie / behandeling van eiser was toen immers al bekend en dat is niet veranderd. Uit de brief van psychiater [B] van 25 februari 2025 blijkt dat de door de BMA genoemde alternatieve medicatie niet passend is. Deze brief heeft de minister niet in het bestreden besluit betrokken. Subsidiair stelt eiser dat de ingangsdatum 6 juli 2023 moet zijn, omdat psychiater [A] in de brief van deze datum heeft geconcludeerd dat de behandeling niet kan worden overgedragen zonder vergaande gevolgen voor eiser. Die brief is niet voorgelegd aan het BMA en onvoldoende in het bestreden besluit betrokken.

10. De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat de minister de brief van psychiater [B] van 25 februari 2025, waarin zij toelicht waarom het BMA er ten onrechte vanuit gaat dat er in Guinee alternatieve medicatie voor eiser beschikbaar is, ten onrechte niet in het bestreden besluit heeft betrokken. De minister heeft daarom niet deugdelijk gemotiveerd dat de ingangsdatum 19 februari 2025 is. De rechtbank licht dat hieronder toe.

In paragraaf A3/7.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat: “(…) De IND verleent uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw met als ingangsdatum de datum van de aanvraag om uitstel van vertrek door de vreemdeling. Uitzondering hierop is de situatie dat (voor zover hier relevant):

- de vreemdeling de voor de aanvraag relevante bewijsmiddelen na het indienen van de aanvraag heeft aangeleverd. Dan geldt als ingangsdatum de datum, waarop de vreemdeling zijn aanvraag compleet heeft gemaakt (…).”

Eiser heeft kort na zijn aanvraag – binnen de door de minister geboden herstelverzuimtermijn – informatie overgelegd over de medicatie die hij gebruikt. Deze informatie is vervolgens betrokken in het BMA-advies van 20 maart 2023. In dit advies heeft het BMA zich op het standpunt gesteld dat het door eiser gebruikte mirtazapine vervangen kan worden door fluoxetine, citalopram, sertraline of escitalopram. Het BMA is bij dit standpunt gebleven in het aanvullende advies van 26 november 2024, in die zin dat het BMA sertraline en paroxetine beschikbare alternatieven vindt voor mirtazapine. In de brief van 28 januari 2025 schrijft psychiater [B] dat mirtazapine behoort tot de groep NASSA en bij eiser niet vervangen kan worden door antidepressiva uit een andere groep (SSRI), zoals paroxetine en sertraline. Het BMA schrijft in reactie hierop in de nota van 18 februari 2025 dat sertraline en paroxetine passen binnen het behandelbeleid zoals dat in het Farmacotherapeutisch Kompas wordt beschreven. Die middelen worden daarin nadrukkelijk genoemd, voor PTSS zelfs als middelen van eerste keus. Deze middelen zijn niet eerder beproefd en afgevallen, er zijn eerder geen opmerkingen gemaakt over de alternatieve medicatie en eiser heeft het eerder ‘gered’ met alleen olanzapine (wat wel beschikbaar is). In reactie hierop schrijft de psychiater in de brief van 25 februari 2025 dat in het geval van eiser mirtazapine niet vervangen kan worden door antidepressiva uit een andere groep, zoals paroxetine en sertraline. De reden dat mirtazapine is voorgeschreven en niet sertraline of paroxetine is dat eiser naast zijn psychotische symptomen (waarvoor hij olanzapine krijgt) lijdt aan symptomen passend bij PTSS met depressieve kenmerken, waarvan de klachten zich met name ’s nachts manifesteren. Daar helpen sertraline en paroxetine, 2 SSRI’s, niet tegen. Het heeft dus ook geen zin om dit te proberen (en dat is geen medisch verantwoord handelen). Volgens de psychiater is voor deze klachten een middel wat niet tot een SSRI behoort (zoals sertraline en paroxetine), maar tot een NASSA (zoals mirtazapine) geïndiceerd.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat de brief van de psychiater van 25 februari 2025 concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van het BMA-advies over de (alternatieve) medicatie van eiser. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat de brief van de psychiater van 25 februari 2025 slechts een herhaling van standpunten betreft. De psychiater is immers uitdrukkelijk in gegaan op de nota van het BMA van 18 februari 2025 en heeft nader en expliciet toegelicht waarom de alternatieve medicatie die het BMA voorstelt in het geval van eiser niet passend is. De minister had deze informatie daarom moeten betrekken in het bestreden besluit en/of moeten voorleggen aan het BMA. Omdat dit niet is gebeurd – en de informatie over de door eiser gebruikte medicatie al binnen de bij de aanvraag geboden herstelverzuimtermijn is aangeleverd – heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de aanvraag pas compleet was met de e-mail van [C] van 19 februari 2025 en dat de ingangsdatum op die datum (en niet de datum van de aanvraag, conform het uitgangspunt van paragraaf A3/7.3.1 van de Vc) moet worden vastgesteld.

Overdracht behandeling

11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de brief van 6 juli 2023 van psychiater [A] tot een eerdere ingangsdatum zou moeten leiden. In het bestreden besluit heeft de minister terecht verwezen naar het BMA-protocol van 2023, onder andere p.

23. Daar is toegelicht dat het BMA geen uitspraak kan doen over de effectiviteit van de behandeling als het gaat om een gevoel van (on)veiligheid en de vertrouwensband met behandelaars. Er staat onder andere: “een gevoel van (on)veiligheid is in hoge mate subjectief en is voor de medisch adviseur niet te objectiveren. Evenmin is medisch gezien te objectiveren en te voorspellen hoe iemand zich na een eventuele terugkeer zal gaan voelen. Hetzelfde geldt voor de (on)mogelijkheid om een vertrouwensband op te bouwen met behandelaars ter plaatse na terugkeer.” Het betoog van eiser dat de verwijzing naar het protocol niet opgaat, omdat de vraag of behandeling kan worden overgedragen een medische vraag betreft, waarover een deskundige in de brief van 6 juli 2023 een oordeel heeft gegeven, volgt de rechtbank niet. In de brief wordt gesproken over vertrouwde behandelaren en begeleiders, die blijvend nodig zouden zijn om eiser enigszins te laten functioneren. De rechtbank kan volgen dat dit, zoals in het BMA-protocol is toegelicht, onvoldoende objectiveerbaar is bij de beoordeling of een medische noodsituatie zal ontstaan. De minister hoefde hier dus geen doorslaggevende waarde aan te hechten en heeft deugdelijk gemotiveerd waarom de brief van 6 juli 2023 niet leidt tot een eerdere ingangsdatum.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op wat in r.o. 10, 10.1, 10.2 en 10.3 is overwogen, is het beroep gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek is vastgesteld op 19 februari 2025.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

Omdat eiser is vrijgesteld van het griffierecht, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt

€ 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

25 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Skerka

Griffier

  • mr. S.J. Valk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?