RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54075
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister mocht vinden dat eiser bij terugkeer naar Turkije niet heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is Koerdisch en actief voor de politieke partij voor de Socialistische Wederopbouw (SYKP). Eisers vader is voorzitter van de SYKP en eiser verricht zelf ook politieke activiteiten in naam van deze partij. Eiser deelde brochures van de SYKP uit op zijn universiteit waarna hij door andere studenten is mishandeld. De politie heeft eiser en zijn vriend meegenomen naar een afgelegen plek en hen daar met de dood bedreigd. Eiser en zijn vriend zijn later vrijgelaten. Eiser heeft zijn studie hierdoor beëindigd, maar bleef wel actief voor de SYKP. Eiser is op een later moment opgeroepen om te verschijnen voor een verhoor bij de politie. Eiser heeft daarna Turkije verlaten. Eiser vreest bij terugkeer ook om de militaire dienstplicht te moeten vervullen of vervolgd te worden vanwege dienstplichtweigering.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
7. De minister vindt eisers asielmotieven geloofwaardig, maar deze leiden niet tot het verlenen van een asielvergunning. Volgens de minister blijkt namelijk niet dat eiser bij terugkeer naar Turkije heeft te vrezen voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiser of zijn vader een zichtbare of leidende rol vervullen binnen de SYKP. Ook het incident op eisers universiteit leidt niet tot een vrees voor vervolging of ernstige schade. Evenmin heeft eiser te vrezen voor vervolging vanwege discriminatie, omdat hij Koerdisch is. De discriminatie die eiser heeft ervaren is niet zodanig dat eiser op maatschappelijk en sociaal gebied niet kan functioneren. Het moeten vervullen van de dienstplicht leidt ook niet tot een aannemelijke vrees, omdat eiser geen onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft en ook niet aannemelijk is dat bij terugkeer al sprake is van dienstplichtweigering. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
8. De rechtbank stelt voorop dat eiser in beroep alleen beroepsgronden heeft gericht tegen het standpunt van de minister dat hij geen vrees voor vervolging of ernstige schade heeft vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten voor de SYKP. Eiser heeft in beroep en ook op de zitting geen concrete beroepsgronden gericht tegen de beoordeling van zijn vrees voor de dienstplicht en de discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit. Wel heeft eiser aangevoerd dat zijn etniciteit betrokken moet worden bij de beoordeling van de vraag of hij gevaar loopt vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten, Eiser heeft op de zitting verder alleen de stelling naar voren gebracht dat zijn vrees voor de dienstplicht en de discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit van belang zijn, maar heeft niet aangegeven op welke punten de motivering van het bestreden besluit niet deugt. De rechtbank zal deze asielmotieven daarom verder niet bespreken.
Het standpunt van eiser
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn vrees voor vervolging en ernstige schade niet aannemelijk vindt. Dat eiser door de politie met de dood is bedreigd en dat hij vervolgens een oproep voor een verhoor heeft ontvangen is een aanwijzing dat eisers vrees voor vervolging of ernstige schade aannemelijk is. Verder blijkt uit het feit dat de politie eisers naam en die van zijn vader kent dat eiser in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Bovendien zijn andere SYKP-leden gearresteerd en is tegen hen een strafzaak geopend vanwege lidmaatschap aan een gewapende terroristische organisatie. Dit is ook een aanwijzing dat eisers vrees voor vervolging en ernstige schade aannemelijk is.
Het oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank overweegt dat de minister zich op de zitting primair op het standpunt heeft gesteld dat de doodsbedreiging van de politieagenten geen aanwijzing is dat eisers vrees voor vervolging of ernstige schade aannemelijk is, omdat het verband tussen de doodsbedreiging en eisers politieke overtuiging en activiteiten onvoldoende aannemelijk is. Dit standpunt kan de rechtbank niet volgen. Eiser was op de universiteit brochures van de SYKP aan het uitdelen en eiser heeft verklaard dat de politie na zijn aanhouding tegen hem heeft gezegd dat hij met zijn activiteiten moest stoppen en dat hij zich niet moest bemoeien met politieke propaganda (nader gehoor van 21 oktober 2025 pagina 5 en 17). Gelet op deze omstandigheden kan de rechtbank het primaire standpunt van de minister niet volgen.
11. De minister heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat als de doodsbedreiging van de politieagenten wel een aanwijzing is dat eisers vrees voor vervolging of ernstige schade aannemelijk is, er goede redenen zijn om aan te nemen dat hij daar bij terugkeer naar Turkije niet opnieuw aan zal worden blootgesteld. De rechtbank kan dit standpunt van de minister volgen. Niet is gebleken dat eiser of zijn vader een prominente rol heeft binnen de SYKP waardoor eiser in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Eiser heeft na het incident op zijn universiteit in 2021 nog twee jaar zonder problemen in Turkije verbleven. Ook na het ontvangen van een oproep voor een verhoor van de politie heeft eiser nog twee maanden zonder problemen in Turkije verbleven. Dit terwijl eiser zijn politieke activiteiten na een periode van rust na het incident heeft voortgezet en deze heeft geïntensiveerd. Bovendien is eiser na het incident officieel lid geworden van de SYKP en bleef hij deelnemen aan demonstraties waar ook de politie aanwezig was (nader gehoor van 21 oktober 2025, pagina 7 en 20). De minister heeft daarmee in het bestreden besluit goede redenen gegeven waarom eiser bij terugkeer niet opnieuw zal worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. Eiser heeft verder niet onderbouwd aangevoerd dat SYKP-leden met de Koerdische etniciteit in het bijzonder in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zouden staan. De etniciteit van eiser maakt de uitkomst van deze zaak dus niet anders.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.