ECLI:NL:RBDHA:2026:5075

ECLI:NL:RBDHA:2026:5075

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer NL25.46138 NL25.14643
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Visum kort verblijf; onvoldoende sociale en economische binding; schending hoorplicht; artikel 6:22 Awb

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.46138 en NL 25.46143

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua), en

de minister van Buitenlandse Zaken, (gemachtigde: mr. E. van der Meulen).

Inleiding

1. Met besluiten van 1 november 2023 heeft de minister de aanvragen van eiseressen voor een visum kort verblijf afgewezen. Met het besluit van 26 augustus 2025 (bestreden besluit) op de bezwaren van eiseressen heeft de minister de afwijzing van deze aanvragen gehandhaafd.

Eiseressen hebben beroepen ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 5 februari 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen, referent [referent] en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingskader

2. Eiseressen hebben de Afghaanse nationaliteit en zijn geboren op [geboortedatum 1] 1994 (eiseres 1) respectievelijk [geboortedatum 2] 2009 (eiseres 2). Zij hebben op 15 oktober 2023 verzocht om afgifte van een visum kort verblijf voor familiebezoek bij referent, hun gestelde oom.

3. De minister heeft de visumaanvragen afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Eiseressen hebben hun familierelatie met referent niet aangetoond. Ook hebben zij het doel en de omstandigheden van hun voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. Hierbij heeft de minister in aanmerking genomen dat er tegenstrijdige informatie is gegeven wat betreft de verblijfsduur. Bovendien bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiseressen om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van

het visum te verlaten. Niet is immers gebleken van een zodanige sociale of economische binding met Afghanistan dat een terugkeer van eiseressen naar dat land voldoende is gewaarborgd.

Wat voeren eiseressen aan?

4. Eiseressen voeren aan dat zij het doel en de omstandigheden van hun voorgenomen verblijf voldoende uiteen hebben gezet. De ouders en een zus van eieressen zijn bij een auto-ongeval overleden. Hun moeder was de zus van referent en eiseressen willen referent in Nederland persoonlijk bezoeken in het kader van hun rouwverwerkingsproces. Met de overgelegde documenten hebben zij hun familierelatie met referent voldoende aangetoond. Verder hebben zij voldoende objectieve informatie verstrekt over de economische binding met Afghanistan. Hieruit blijkt dat eiseres 1 werk en een inkomen heeft in Afghanistan en dat zij daar bovendien een investering in een bedrijf heeft gedaan. Ook de sociale binding met het land van herkomst hebben zij aangetoond. Eiseressen hebben namelijk een familiehuis in Afghanistan waar zij met familieleden wonen. Tot slot voeren eiseressen aan dat zij ten onrechte niet zijn gehoord in de bezwaarprocedure.

5. Uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode1 volgt dat de minister gehouden is een visum te weigeren indien, voor zover hier van belang, de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, of indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie bijvoorbeeld het arrest Koushkaki)2 beschikt de minister over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. De rechter kan het besluit van de minister hierover daarom slechts terughoudend toetsen.

Verweerder moet bij het beoordelen van het voornemen om tijdig terug te keren een individueel onderzoek van de visumaanvraag verrichten waarbij rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en, aan de andere kant, diens persoonlijke omstandigheden, met name diens gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerder rechtmatig of onrechtmatig verblijf in een van de lidstaten en zijn banden in het land waarin diegene woont en in de lidstaten. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum, maar moet bepalen of er redelijke twijfel over dat voornemen bestaat.

1. Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.

2 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.

Sociale en economische binding

6. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseressen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum. Hierbij is het volgende van belang.

De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat eiseressen een zodanige sociale binding hebben met Afghanistan, dat een tijdige terugkeer naar Afghanistan voldoende is gewaarborgd. De enkele omstandigheid dat eiseressen een familiehuis in Afghanistan zouden hebben, waar familie van hun moeder en vader woont, is onvoldoende om een dergelijke sociale binding aan te nemen. De minister heeft in dit verband mogen meewegen dat eiseressen relatief jong zijn en dat zij geen gezin – of een ander familielid – hebben waarvoor zij de verantwoordelijkheid dragen. Verder heeft de minister mogen betrekken dat ook anderszins niet is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen van eiseressen die maken dat zij zullen terugkeren naar Afghanistan.

De minister heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat eiseressen een zodanige economische binding hebben met Afghanistan, dat een tijdige terugkeer naar dat land voldoende is gewaarborgd. Eiseres 2 heeft geen economische binding met Afghanistan en eiseres 1 heeft met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat zij in Afghanistan over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt. Uit de stukken blijkt weliswaar dat eiseres 1 enige tijd in Afghanistan heeft gewerkt, maar daarna hebben eiseressen in Iran verbleven. Zij zijn pas recent teruggekeerd naar Afghanistan. De minister heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat de economische binding met Afghanistan niet zo sterk is dat een terugkeer naar Afghanistan is gewaarborgd. Dat eiseres in Afghanistan heeft geïnvesteerd in een bedrijf is ook onvoldoende voor het aannemen van een dergelijke economische binding. Daargelaten dat eiseres 1 niet heeft onderbouwd dat zij uit deze investering (regelmatig) inkomsten ontvangt, heeft de minister mogen tegenwerpen dat zij zich niet in Afghanistan hoeft te bevinden om eventuele opbrengsten uit deze investering te ontvangen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Overige inhoudelijke gronden

7. De minister heeft de visumaanvragen op grond van het voorgaande mogen afwijzen. De overige inhoudelijke gronden hoeven daarom niet te worden besproken.

Hoorplicht

8. Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van het horen kan slechts worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De gronden op basis waarvan van horen kan worden afgezien, moeten terughoudend worden toegepast. Als vuistregel geldt dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft

verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.3

De rechtbank stelt vast dat de minister de besluiten van 1 november 2023 summier heeft gemotiveerd. Dit maakt dat niet helder is welke omstandigheden en documenten de minister in eerste instantie precies heeft betrokken bij het afwijzen van de visumaanvragen. Om deze reden is ook lastig vast te stellen in hoeverre de gronden in de bezwaarschriften een herhaling van zetten vormen.

Verder stelt de rechtbank vast dat eiseressen in bezwaar diverse stukken hebben overgelegd. Daarnaast hebben zij beargumenteerd dat zij wél aan de voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor een visum kort verblijf. Zij hebben aldus in de bezwaarfase de nodige inspanningen verricht om de minister tot een ander standpunt te brengen dan in de besluiten van 1 november 2023.

Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister het door eiseressen in bezwaar aangevoerde niet voldoende vindt. De minister had hierover tijdens een hoorzitting vragen kunnen stellen, het horen in bezwaar kan immers uitkomst bieden om duidelijkheid te verkrijgen over de redenen voor het ontbreken van bepaalde informatie. Bovendien hebben eiseressen in bezwaar expliciet verzocht om te worden gehoord.

De rechtbank is, gelet op wat in 8.1 tot en met 8.3 is overwogen, van oordeel dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.

De beroepsgrond slaagt.

9. De rechtbank is van oordeel dat eiseressen in dit geval niet in hun belangen zijn geschaad. Naar aanleiding van het bestreden besluit hebben zij in beroep nog aanvullende documenten overgelegd en hun standpunten verder toegelicht. De rechtbank ziet daarom aanleiding het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van

de Awb moet de minister wel het griffierecht aan eiseressen vergoeden. Eiseressen krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseressen een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

3 Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 11 maart 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Janssen

Griffier

  • mr. L.E. Mollerus

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?