ECLI:NL:RBDHA:2026:5077

ECLI:NL:RBDHA:2026:5077

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-02-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer NL25.62488
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Dublin Zwitserland. Aanmeldgehoor niet onzorgvuldig. Voornemen op juiste wijze uitgereikt aan eiser. Kan worden uitgegaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel. Claimakkoord artikel 18, eerste lid, onder d, Dublinverordening i.p.v. artikel 18, eerste lid, onder b, Dublinverordening. Artikel 17. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1994, van Libische nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Mandersloot).

Inleiding

Bij besluit van 19 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de

aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling

genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarnaast verzocht

om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beslissing op het beroep

in Nederland mag afwachten.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen.

Besluitvorming

3. Eiser heeft op 9 november 2025 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen, omdat de autoriteiten van Zwitserland volgens verweerder verantwoordelijk zijn voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 14 oktober 2024 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Daarom heeft Nederland op 26 november 2025 de autoriteiten van Zwitserland verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Op 27 november 2025 zijn de autoriteiten van Zwitserland hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.

Aanmeldgehoor

Allereerst stelt eiser zich op het standpunt dat het Dublin aanmeldgehoor onzorgvuldig is verlopen. Aan eiser is gevraagd of er sprake is van bezwaren die hij liever niet tegenover een mannelijke medewerker en een vrouwelijke tolk naar voren brengt. Eiser heeft aangegeven dat hiervan sprake is. Desondanks is het gehoor in die setting voortgezet, waardoor eiser zijn bezwaren niet volledig naar voren heeft kunnen brengen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen de overdracht naar Zwitserland naar voren te brengen. Eiser heeft niet onderbouwd wat hij door deze manier van horen niet naar voren heeft kunnen brengen. Daar komt bij dat eiser ook ten tijde van het beroep nog de gelegenheid heeft gehad om andere bezwaren naar voren te brengen. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.

Voornemen

Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat het voornemen ten onrechte niet aan hem is uitgereikt. Verweerder heeft op 28 november 2025 een voornemen uitgebracht. Dit is niet aan eiser uitgereikt. Voorts is er op 2 december 2025 een gemachtigde gekoppeld aan eiser en/of de zaak. Het voornemen is vervolgens niet verzonden of op andere wijze bekend gemaakt. Via het digitale Advocatenportaal van verweerder is er evenmin een notificatie uitgegaan.

In paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat artikel 30,

tweede lid, van de Vw en artikel 3.109c van het Vb het verloop van de Dublinprocedure regelen. In het zesde lid van artikel 3.109c van het Vb staat dat “het schriftelijk voornemen om de aanvraag niet in behandeling te nemen wordt meegedeeld door uitreiking of toezending daarvan”.

Verweerder heeft op 2 februari 2026 een aanvullend stuk overgelegd waaruit blijkt dat het voornemen aan eiser is verzonden. Op dit screenshot staat het adres waar eiser toen verbleef en dat het voornemen aangetekend is verzonden. Nu verweerder het voornemen aan eiser heeft toegezonden, heeft verweerder het voornemen conform artikel 3.109c van het Vb op de juiste wijze aan eiser bekend gemaakt. Dat de gemachtigde van eiser geen notificatie in het digitale systeem heeft ontvangen, maakt dit niet anders. De gemachtigde is immers pas aan het dossier van eiser gekoppeld toen het voornemen al was verstuurd. De gemachtigde van eiser had ten tijde van de koppeling dus de beschikking over alle kenbare stukken in het dossier. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat het voornemen op de juiste wijze bekend is gemaakt en eiser door de procedure in de voornemenfase niet in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

Ook stelt eiser dat ten aanzien van Zwitserland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn immers concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Ook kon eiser niet werken in Zwitserland door de lange doorlooptijden, zo blijkt ook uit een AIDA-rapport, wat voor hem zeer problematisch was.

De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening, waaronder ook Zwitserland, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Zwitserland in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan omdat de asielprocedure in Zwitserland een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De Afdeling

heeft recentelijk geoordeeld dat ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De aangevoerde omstandigheden maken daarom niet dat de asielprocedure in Zwitserland een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Er is dus geen reden voor het oordeel dat ten aanzien van Zwitserland niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat Zwitserland het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eisers in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eiser in Zwitserland wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag ligt het op zijn weg hierover bij de Zwitserse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Zwitserse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.

Claimakkoord

Verder stelt eiser zich op het standpunt dat het claimakkoord niet op de juiste grondslag is geaccepteerd. Het claimverzoek is gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, terwijl het verzoek is geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Eiser heeft geen (volledige) asielprocedure doorlopen en zijn asielaanvraag is niet afgewezen aldaar, terwijl het claimakkoord hier wel van uitgaat. Dit lijkt dan ook niet zorgvuldig tot stand te zijn gekomen. Ook vreest eiser dat hij hierdoor bij terugkeer als (reeds) afgewezen asielzoeker zal worden behandeld, terwijl hij bij een (gedwongen) terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade loopt.

De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft een terugnameverzoek gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. De Zwitserse autoriteiten hebben het claimverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Hiermee staat vast dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Dat sprake is van een andere acceptatiegrond dan door verweerder in het claimverzoek is genoemd, leidt niet tot het oordeel dat daarmee de verantwoordelijkheid van Zwitserland niet vast is komen te staan. Hierbij is van belang dat verweerder in het claimverzoek de voor de beoordeling van het verzoek relevante informatie heeft vermeld en de Eurodac gegevens als bijlage bij het verzoek heeft gevoegd. De autoriteiten van Zwitserland konden daarom een voldoende geïnformeerd besluit nemen op dat verzoek. Voor zover eiser stelt dat het accepteren op een andere grondslag nadelige gevolgen voor eiser zou kunnen hebben, oordeelt de rechtbank dat dit op geen enkele wijze is onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Met het accepteren van het claimverzoek hebben de Zwitserse autoriteiten gegarandeerd dat zij eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling zullen nemen. Zoals de rechtbank onder 6.3. heeft overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er van uitgaan dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is daarom aan Zwitserland om te bepalen op grond van welk onderdeel van de Dublinverordening zij de verantwoordelijkheid voor het behandelen van eisers asielaanvraag draagt. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17

Tot slot meent eiser dat verweerder in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor zijn asielverzoek aan zich had moet trekken. Er zijn immers concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het

verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale

verplichtingen niet nakomt.

De rechtbank overweegt als volgt. Als een lidstaat niet verplicht is een asielaanvraag in behandeling te nemen, kan die lidstaat een asielaanvraag alsnog onverplicht in behandeling kan nemen. In het beleid van verweerder staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat bijzondere individuele omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen. De rechtbank toetst deze discretionaire bevoegdheid van verweerder dus terughoudend.

De rechtbank stelt vast dat verweerder alle door eiser benoemde persoonlijke omstandigheden in het bestreden besluit heeft betrokken. Verweerder hoeft omstandigheden die hij al heeft beoordeeld onder het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet ook onder de bijzondere individuele omstandigheden te beoordelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de asielaanvraag van eiser op

goede gronden heeft afgewezen.

10. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep, is er voor

het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.

11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.62488:

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.62489:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep

worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 1 week

na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de

voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om

een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een

voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L. Kooring

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand