RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10781
(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
(gemachtigde: mr. N.L. Schoonbrood).
Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1987 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
Als lichte gronden heeft verweerder vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Verweerder heeft op de zitting zware grond 3f en lichte grond 4e laten vallen.
Zware en lichte gronden
4. Eiser heeft aangevoerd dat de zware en lichte gronden zich niet voordoen dan wel dat verweerder die gronden onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd en (dus) niet aan eiser kunnen worden tegengeworpen. Zo is eiser Nederland laatstelijk (wel degelijk) op de voorgeschreven wijze binnengekomen (zware grond 3a), namelijk middels een laissez-passer (lp) vanuit Duitsland. Verder is het onvoldoende gebleken dat eiser niet bereid zou zijn mee te werken aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit (zware grond 3d). Eiser beschikt weliswaar niet over originele identificerende documenten, maar heeft wel over zijn identiteit en nationaliteit (in zijn asielprocedure) verklaard en een nationaliteitsverklaring ondertekend, en verweerder heeft een en ander ook geloofwaardig geacht. Eiser heeft aan de vaststelling daarvan dus wel degelijk meegewerkt. Dat eiser te kennen heeft gegeven geen gevolg te zullen geven aan zijn verplichting tot terugkeer (zware grond 3i) heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft namelijk verwezen naar het aanmeldgehoor en vertrekgesprekken van ruim een jaar geleden of langer, terwijl eiser onlangs heeft aangegeven dat hij bereid is terug te keren. Over de lichte gronden heeft eiser aangevoerd dat uit de toelichting daarbij niet volgt dat in het geval van eiser een risico op onttrekking aanwezig is.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser (de feitelijke juistheid van) de zware gronden 3b en 3c en de lichte grond 4b niet (langer) heeft bestreden. Ook de rechtbank is van oordeel dat deze drie gronden feitelijk juist zijn. Dat geldt ook voor de zware grond 3a. Daarover overweegt de rechtbank dat verweerder in de maatregel van bewaring heeft toegelicht dat eiser niet in het bezit is van reis- en identiteitsdocumenten. Eiser heeft daarover verklaard dat hij zijn paspoort en ID-kaart in Turkije is verloren. Eiser is dan ook het Schengengebied (waaronder Nederland) op onrechtmatige wijze ingereisd. Dat hij laatstelijk door Duitsland met een lp aan Nederland is overgedragen doet er niet aan af dat hij eerder niet op de juiste wijze Nederland is binnengekomen. Zware grond 3a kan eiser daarom ook nu nog worden tegengeworpen.
De zware gronden 3a, 3b, 3c en de lichte grond 4b zijn terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd en zijn, samen met de toelichting daarbij, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Hieruit volgt namelijk het onttrekkingsrisico en verweerder heeft dit in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd. De overige (zware en lichte) gronden en de beroepsgronden daarover behoeven daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom (niet) met een lichter middel volstaan had kunnen worden. Daarvoor is van belang dat eiser last heeft van epilepsie en psychische klachten en dat hij daarvoor ook medicatie nodig heeft. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser in het detentiecentrum de beschikking heeft tot de juiste zorg en medicatie, aangezien daar geen medisch deskundigen rondlopen en (dus) ook niet inzichtelijk is of er adequaat kan worden ingegrepen op het moment dat eiser te maken zou krijgen met een epileptische aanval en of de benodigde medicatie dan wel beschikbaar is.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Verweerder heeft dat in de maatregel voldoende toegelicht. Voorop staat daarbij het risico op onttrekking aan het toezicht, zoals dat uit de (niet betwiste) gronden volgt. Daarnaast heeft verweerder eisers medische situatie voldoende betrokken. Verweerder heeft in het gehoor van 25 februari 2026 (en daaraan voorafgaand al meermaals) gevraagd naar eisers medische situatie en medicatie. Eiser heeft daarop geantwoord dat hij epilepsie en eczeem heeft (waarvoor hij medicatie en zalf gebruikt) en dat hij het psychisch zwaar heeft. Verweerder heeft eiser naar aanleiding daarvan verteld dat er in het detentiecentrum (waar eiser dan al sinds 19 februari 2026 zit) een medische dienst is en tevens psychologen aanwezig zijn, waar eiser naartoe kan. In de maatregel heeft verweerder dat vervolgens ook overwogen en toegelicht dat eisers medische en psychische situatie geen belemmering voor de inbewaringstelling vormt. Verweerder heeft daarbij ook betrokken dat in het detentiecentrum een medische dienst aanwezig is die gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij en dat voor personen die zich met moeite kunnen handhaven (zoals personen met psychische problemen) gespecialiseerde zorg aanwezig is. Uitgangspunt is dan ook dat ervan kan worden uitgegaan dat in het detentiecentrum de benodigde zorg voor eiser beschikbaar is, ook voor zijn epileptische aanvallen. Dat eiser in bewaring niet de zorg (kreeg en) krijgt die hij nodig heeft, is niet onderbouwd. Nergens blijkt (dus) uit dat eiser detentieongeschikt is of dat de detentie voor hem onevenredig bezwarend is. Eisers medische en psychische problemen zijn niet genoeg voor die conclusie. De beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.
Aanvullende ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling
8. Ook de (aanvullende) ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel van bewaring leidt niet tot de conclusie dat de maatregel tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt niet, ook niet toen eiser op 25 februari 2026 in bewaring werd gesteld. Verweerder heeft verder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting gewerkt en het is de rechtbank ook niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van eisers gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser naar Marokko verzet.
9. De rechtbank heeft (ambtshalve) geconstateerd dat de totale duur van de aan eiser opgelegde maatregelen van bewaring – ten tijde van het opleggen van de huidige maatregel op 25 februari 2026 ook al – meer dan zes maanden bedraagt. Eiser is namelijk in bewaring gesteld van 17 februari 2025 tot 19 februari 2025 (twee dagen), van 25 februari 2025 tot
4 september 2025 (zes maanden, tien dagen) en weer sinds 18 februari 2026 (eerst op een andere grondslag) tot hij op 25 februari 2026 op de huidige grondslag in bewaring is gesteld. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 heeft de rechtbank op de zitting de totale duur van de maatregelen van bewaring (ambtshalve) aan de orde gesteld. Verweerder en (de gemachtigde van) eiser hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
10. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In artikel 59, vijfde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 is vervolgens bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. Daarbij is van belang of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat (wat hiervóór al is beoordeeld). Ook hoeft er geen aparte verzwaarde belangenafweging plaats te vinden.
11. De rechtbank is van oordeel dat uit de feitelijke toelichting en motivering van verweerder in de maatregel van bewaring kan worden afgeleid dat aan de voorwaarden voor verlenging wordt voldaan. Daaruit volgt immers dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting en de daartoe benodigde documentatie (uit Marokko) nog ontbreekt, waardoor de uitzetting meer tijd vergt. Van belang hiervoor is – onder meer – dat in de maatregel is toegelicht dat eiser – nadat de eerdere bewaring op 4 september 2025 was opgeheven – met onbekende bestemming is vertrokken (naar Duitsland, bleek achteraf), dat hij (dus ook) niet aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan, zelf ook geen actie heeft ondernomen om terugkeer naar Marokko mogelijk te maken en op 18 februari 2026 (weer) een opvolgende aanvraag heeft gedaan (om terugkeer te frustreren, zo licht verweerder voldoende toe). Dat heeft eiser niet betwist. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring verder (onbetwist) overwogen dat eiser niet beschikt over identiteits- en reisdocumenten en dat hij zelf geen (aantoonbare) activiteiten heeft ondernomen om zich alsnog in het bezit daarvan te stellen. Verweerder is voor eisers terugkeer naar Marokko daarom afhankelijk van de afgifte van een lp door de Marokkaanse autoriteiten. Een lp was er nog niet toen eiser op 25 februari 2026 (opvolgend) in bewaring werd gesteld. Dat op 28 oktober 2025 – door de inspanningen van verweerder – wel al een lp-toezegging is gedaan, doet daar niet aan af. Dat eiser onlangs (voor het eerst) heeft verklaard wel terug te willen keren naar Marokko maakt verder niet dat moet worden gezegd dat eiser wel meewerkt. Dat doet in ieder geval niet af aan zijn gedrag (in verband met zijn terugkeer) in de periode daarvóór. Verweerder heeft in de maatregel bovendien voldoende toegelicht waarom die verklaring op dat moment ongeloofwaardig is en daaraan dus geen waarde wordt gehecht. De feitelijke toelichting en motivering van verweerder in de maatregel van bewaring is naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende voor het (ambtshalve) oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden om eiser in verband met zijn terugkeer naar Marokko langer dan zes maanden in bewaring te houden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat deze is opgelegd nadat eiser in totaal al langer dan zes maanden in bewaring heeft gezeten.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.C. Mellendijk - Leinders, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 maart 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.