RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.23085
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
(gemachtigde: mr. B.J.W. Immink).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 20 juli 2021 om de afgifte van een EU-verblijfsdocument waaruit een afgeleid verblijfsrecht blijkt (Chavez-verblijfsvergunning) op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen relevante gegevens heeft overgelegd die kunnen afdoen het eerder door hem genomen besluit van 5 maart 2019. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 20 juli 2021 een opvolgende aanvraag ingediend voor een Chavez-verblijfsvergunning. De minister heeft deze aanvraag met zijn besluit van 23 december 2021 afgewezen, omdat er sprake was van een herhaalde aanvraag. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2022 heeft de minister deze afwijzing gehandhaafd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 november 2023 is het beroep ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Eiser heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 maart 2024 is het verzet gegrond verklaard.
De rechtbank heeft de zaak op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: eiser bijgestaan door mr. S. Raissi als waarnemer van de gemachtigde van eiser. Ook was de gemachtigde van de minister aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere procedure
3. Eiser heeft op 3 juli 2018 een eerste aanvraag ingediend om een Chavez-verblijfsvergunning. Deze aanvraag is met het besluit van 5 maart 2019 afgewezen. Het bezwaar hiertegen is met het besluit van 23 april 2020 ongegrond verklaard. Eiser is vervolgens in beroep gegaan. Het beroep is op 19 mei 2021 ongegrond verklaard door deze rechtbank en zittingsplaats waarna de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep kennelijk ongegrond heeft verklaard.
Het bestreden besluit
4. In het besluit van 5 maart 2019 heeft de minister de aanvraag van eiser om een Chavez-verblijfsvergunning afgewezen omdat eiser volgens de minister een gevaar vormt voor de openbare orde. De minister heeft de opvolgende aanvraag van eiser afgewezen onder verwijzing naar dit besluit, omdat volgens hem geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Volgens de minister is op voorhand uitgesloten dat de door eiser in deze procedure overgelegde documenten en afgelegde verklaringen aan het eerdere besluit kunnen afdoen.
Heeft eiser relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Hij wijst daarbij op de overgelegde stukken van Limor en GGZ Delfland en een aantal foto’s. Eiser betoogt dat deze stukken als nieuwe feiten en omstandigheden moeten worden aangemerkt. Daarnaast voert eiser aan dat de minister ten onrechte heeft aangenomen hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Hij stelt dat de minister uit is gegaan van een onjuist begrip van openbare orde en daardoor in strijd heeft gehandeld met de mededeling van de Europese Commissie aan het Parlement en de Raad van 2 juli 2009 betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van de Verblijfsrichtlijn (COM 2009, 313).
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en daarom behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten, dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
De rechtbank stelt voorop dat zij, anders dan de minister, geen reden ziet om de in beroep overgelegde stukken in het geheel niet bij de beoordeling te betrekken. Eiser heeft in deze procedure een aantal stukken overgelegd waarvan een deel al eerder is overgelegd. Het betreft een aantal foto’s van hem en zijn dochter, rapportages van Limor, stukken van GGZ-Delfland, een verklaring van de school van eisers dochter en verklaringen van derden (waaronder de moeder van eisers dochter) over eiser en de relatie met zijn dochter. Voor zover in beroep nieuwe stukken zijn overgelegd zijn die kennelijk bedoeld ter onderbouwing van eisers gezinssituatie, waarover eiser al tijdens de besluitvormingsfase heeft verklaard.
Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de door eiser overgelegde stukken geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden opleveren die maken dat de aanvraag inhoudelijk moet worden behandeld. Eiser heeft in beroep wel betoogd, maar niet onderbouwd waarom het standpunt van de minister met betrekking tot de openbare orde onjuist is. Eiser wijst in beroep weliswaar op de stukken van Limor en GGZ-Delfland van 9 augustus 2021 en 7 oktober 2021 maar licht verder niet toe hoe deze stukken of de andere door eiser in de procedure overgelegde stukken de minister tot een ander besluit hadden moeten brengen. Daarbij komt dat de minister met juistheid stelt dat deze stukken geen wezenlijk andere informatie bevatten dat wat al bekend was ten tijde van de afwijzing van de eerste aanvraag van eiser.
Bij haar oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de eerste aanvraag van eiser is afgewezen op grond van de omstandigheid dat eiser volgens de minister een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid is. Dit standpunt van de minister is door deze rechtbank en zittingsplaats alsmede de Afdeling onderschreven. De stukken die eiser in deze procedure, zowel gedurende de bezwaarfase als gedurende de beroepsfase, heeft aangeleverd zien uitsluitend op de gestelde afhankelijkheidsrelatie met zijn dochter in het kader van het arrest Chavez-Vilchez en kunnen daarom ook op voorhand niet afdoen aan de reeds in rechte vaststaande afwijzing van eisers aanvraag op grond van de openbare orde.
Eiser heeft in onderhavige procedure voor zover het de openbare orde betreft bovendien slechts gronden herhaald die hij ook heeft aangevoerd tegen de inmiddels in rechte vaststaande afwijzing van zijn eerste aanvraag om een Chavez-verblijfsrecht, zodat deze gronden de minister zonder nadere motivering eveneens op voorhand niet tot een ander besluit hadden kunnen leiden.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.