RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13110
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toets
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Lichter middel
2. Eiser stelt dat hij graag wil terugkeren naar Algerije en staat open voor ieder soort medewerking. Hij heeft daarom ook al met het IOM gesproken. Ook tijdens het gehoor is al aangegeven dat eiser wil terugkeren en de inbewaringstelling belemmert eiser hierin. Verder wijst eiser op zijn gezondheid. Zijn gemachtigde heeft verweerder al eerder gemaild met het verzoek rekening te houden met zijn gezondheid. Hij heeft in het detentiecentrum verzocht om een arts, maar nog altijd geen arts gezien. De inbewaringstelling is dan ook onevenredig en gelet op de omstandigheden dient een lichter middel toegepast te worden.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Verweerder heeft ter zitting de gronden 3f en 4f laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel ten grondslag liggen. De rechtbank is van oordeel dat de overige gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen. De enkele stelling van eiser dat hij wil terugkeren naar Algerije is daartoe onvoldoende, gelet op het feit dat eiser al eerder met onbekende bestemming is vertrokken en niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Ook de door eiser aangevoerde medische omstandigheden zijn meegewogen in de maatregel van bewaring. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Indien eiser niet tevreden is met de zorg die hij daar ontvangt, is het aan hem om daarover zijn beklag te doen in het detentiecentrum. Niet is gesteld of gebleken dat het detentiecentrum niet bereid of in staat is om hem te helpen.
4. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.