Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/7093
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) van € 480.563 (de navorderingsaanslag), een beschikking revisierente van € 185.131 en een beschikking belastingrente van € 119.466 (tezamen aangeduid als: de beschikkingen) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 juli 2024 de navorderingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is sinds 19 juli 1999 directeur en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam] B.V. (C).
2. In de aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) voor de jaren 2009 tot en met 2014 van C zijn de volgende gegevens opgenomen:
3. Over de jaren 2015 tot en met 2017 zijn door C geen aangiften Vpb ingediend. Aan C zijn voor die jaren ambtshalve aanslagen opgelegd, waartegen geen bezwaar is gemaakt.
4. In de aangiften Vpb voor de jaren 2018 en 2019 van C wordt geen melding (meer) gemaakt van een pensioenvoorziening, pensioenlasten en de vordering op eiser. Uit de winstbijlage bij het aangiftebiljet Vpb over het jaar 2018 blijkt dat C per 31 december 2018 een schuld van € 2.331 heeft aan eiser.
5. In de periode april 2017 tot en met december 2019 is geen gebruik gemaakt van de tijdelijke mogelijkheid om pensioen in eigen beheer af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting.
6. Verweerder heeft aan eiser ambtshalve een aanslag IB/PVV voor 2018 opgelegd, die bij verminderingsbeschikking is vastgesteld naar een belastbaar inkomen van € 60.558.
7. Op 10 oktober 2023 heeft verweerder aan eiser het voornemen gestuurd om, middels een navorderingsaanslag voor het jaar 2018, pensioenaanspraken tegen de waarde in het economische verkeer, verhoogd met 20% revisierente, te belasten (het voornemen):
“U heeft geen antwoord gegeven over het verloop van de vordering op u in de jaren 2014 tot en met 2018 en wat er met de pensioenvoorziening is gebeurd.
(…) Dit leidt tot de conclusie dat er een verboden handeling met de pensioenaanspraken in 2018 moet hebben plaats gevonden. Hierbij gaan wij er van uit dat in 2018 de vordering op u is verrekend met de fiscale pensioenvoorziening. Uitgaande van een fiscale pensioenvoorziening van € 343.714 per 31 december 2014, een pensioenleeftijd 65 jaar, een overgang van 70% op de partner, overlevingstafel gbm/gbv 07-12 en een minimale rekenrente van 4% bedroeg het ouderdomspensioen € 38.443 en het partnerpensioen € 26.910.
Uitgaande van deze pensioenaanspraken en een gestaakte pensioenopbouw had de fiscale pensioenvoorziening per 31 december 2018 € 420.937 geweest. De commerciële waarde van deze pensioenaanspraken per 31 december 2018 bedroeg € 925.655. Deze berekening is op basis van de benaderde marktwaarde, waarbij rekening is gehouden met een leeftijdsterugstelling -5/-6, een kosten- en winstopslag op basis van marktwaarde en een rekenrente van 0,78% (u-rendement 0,28% plus 0,5%). (…)”
8. Op 21 juni 2024 heeft verweerder aan eiser een e-mail gestuurd, naar het e-mailadres waarop verweerder vaker naar eiser heeft gemaild, met als bijlage de vooraankondiging uitspraak op het bezwaarschrift met datum 21 juni 2024 (de vooraankondiging). In de vooraankondiging verzoekt verweerder eiser om voor 4 juli 2024 aan te geven of eiser gebruik wenst te maken van het recht om te worden gehoord. Eiser heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Met dagtekening 15 juli 2024 is de uitspraak op bezwaar aan eiser opgelegd.
Geschil 9.In geschil is of het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden. Voorts is in geschil of de navorderingsaanslag en de beschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
10. Eiser stelt dat het hoorrecht is geschonden en dat daarom de zaak moet worden teruggewezen naar de bezwaarfase. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij, ondanks de toelichting in de stukken van verweerder, niet begrijpt waarom de navorderingsaanslag en de beschikkingen aan hem zijn opgelegd.
11. Verweerder stelt dat het hoorrecht niet is geschonden en dat de rechtbank inhoudelijk kan oordelen over de zaak. Volgens verweerder zijn de navorderingsaanslag en de beschikkingen terecht en naar de juiste bedragen aan eiser opgelegd, omdat in de aangifte Vpb van C per 31 december 2014 een pensioenvoorziening stond van € 343.714, terwijl in de aangifte Vpb van C per 31 december 2018 de pensioenvoorziening niet (meer) is vermeld. Eiser heeft als gevolg daarvan loon (in natura) genoten.
Beoordeling van het geschil
Verzoek om uitstel
12. Eiser heeft de rechtbank op 27 december 2025 voor de vierde maal verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling van de zaak. De reden van het verzoek is, overeenkomstig de eerdere verzoeken, gelegen in persoonlijke omstandigheden met betrekking tot de financiële adviseur van eiser. Op 16 juli 2025 was de rechtbank voor de eerste maal voornemens om de onderhavige zaak op zitting te behandelen. Sindsdien zijn bijna 6 maanden verstreken en heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om een andere financiële adviseur te zoeken, dan wel voldoende tijd gehad om de zaak zelf voor te bereiden. Gelet hierop, mede in het licht van het belang van tijdige rechtspraak, is de rechtbank van oordeel dat het procesbelang van verweerder prevaleert boven het belang van eiser bij verder uitstel. Het uitstelverzoek is daarom afgewezen.
Hoorrecht
13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het hoorrecht is geschonden en zal dan ook de zaak niet terugwijzen naar de bezwaarfase om alsnog in bezwaar te kunnen worden gehoord. Eiser stelt de vooraankondiging niet per post te hebben ontvangen. In het beroepschrift is door eiser evenwel ook aangegeven dat hij een mail van 21 juni 2024, met daarbij gevoegd de vooraankondiging op de uitspraak op bezwaar, in zijn “spam” terecht is gekomen, waardoor hij dit e-mailbericht niet heeft kunnen behandelen. Het gevolg is dat eiser pas na 4 juli 2024 bekend is geworden met de inhoud en bijlage van de e-mail van 21 juni 2024. Naar het oordeel van de rechtbank komt de omstandigheid dat de e-mail van 21 juni 2024, naar eiser stelt, in zijn “spam” is terechtgekomen, waardoor eiser niet voor 4 juli 2024 heeft kenbaar kunnen maken dat hij wenst te worden gehoord voor rekening en risico van eiser. Hierdoor heeft verweerder op grond van art. 7:3, aanhef en onder d van de Algemene wet bestuursrecht van het horen van eiser in de bezwaarfase kunnen afzien. De rechtbank komt zodoende toe aan de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Pensioenaanspraak
14. In de jaren 2009 tot en met 2014 stond op de balans van C een pensioenvoorziening ten behoeve van eiser. Per 31 december 2014 bedroeg de pensioenvoorziening € 343.714. In deze jaren heeft C ook pensioenlasten in mindering op haar resultaat gebracht en stond voorts een vordering op eiser op de balans van C. Per 31 december 2014 bedroeg die vordering € 330.231. Over de jaren 2015 tot en met 2017 heeft C geen aangiften Vpb ingediend. In de aangifte Vpb voor het jaar 2018 staan de pensioenvoorziening en de vordering op eiser niet meer op de balans van C en heeft C ook geen pensioenlasten in mindering op haar resultaat gebracht. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de pensioenvoorziening van C ten behoeve van eiser is verrekend met de vordering op eiser van C en dat daarmee sprake is van het afkopen of vervreemden van de pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onder b, van de Wet op de loonbelasting 1964. Verweerder heeft dan ook terecht de pensioenaanspraak van eiser aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking. Voor zover eiser betoogt dat de pensioenvoorziening van C niet is verrekend met de vordering op eiser, en/of dat eiser (daardoor) geen loon uit een vroegere dienstbetrekking heeft genoten, heeft eiser dit niet onderbouwd, waardoor dit het voorgaande niet anders maakt.
15. In verband met de verrekening van de pensioenvoorziening met de vordering op eiser heeft verweerder in 2018 bij eiser loon uit een vroegere dienstbetrekking ter grootte van € 925.655 in aanmerking genomen. Gelet op de ontwikkeling in de jaren 2009 tot en met 2018 van de pensioenvoorziening, de vordering op eiser, en de pensioenlasten in de aangiften Vpb van C, en gelet op de toelichting van verweerder, zijn naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van hetgeen eiser heeft betoogd, de navorderingsaanslag en de beschikkingen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd. Hetgeen eiser ter zitting nog heeft aangevoerd over zijn persoonlijke omstandigheden brengt hierin geen verandering.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Bandsma, rechter, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
De griffier is verhinderd te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).