[naam], verzoeker,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel van de minister van
21 oktober 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken, omdat de minister op 11 februari 2026 dit besluit met terugwerkende kracht heeft ingetrokken.
De rechtbank heeft de minister op 13 februari 2026 op de zitting in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Eiser is op 2 januari 2026 met onbekende bestemming vertrokken. Op 11 februari 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd of er nog contact is met eiser. Uit de reactie van de gemachtigde van 11 februari 2026 blijkt dat er nog contact is tussen eiser en zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
Op 19 november 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de vrijheidsbeperkende maatregel. De minister heeft pas op 11 februari 2026 de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven met terugwerkende kracht, omdat de maatregel niet is geëffectueerd. De minister heeft op de zitting erkend dat de maatregel naar alle waarschijnlijkheid niet zou zijn opgeheven als er door eiser geen beroep was ingediend. Hiermee heeft de minister erkend dat is tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. Er bestaat daarmee aanleiding om het verzoek toe te wijzen.
Conclusie en gevolgen
5. De rechtbank wijst het verzoek toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
Hersteluitspraak
6. Deze hersteluitspraak is gedaan omdat in de oorspronkelijke uitspraak ten onrechte in de beslissing is opgenomen dat het verzoek wordt afgewezen in plaats van toegewezen. Deze hersteluitspraak treedt in de plaats van de oorspronkelijke uitspraak die op 11 maart 2026 is gedaan.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af toe en veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.