Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ),
de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/5006
en
Procesverloop
Eiser heeft op 26 maart 2025 bezwaar gemaakt. Bij brief van 10 juli 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
Op 29 juli 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet nemen van een besluit op bezwaar.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Met dagtekening 30 augustus 2024 is aan eiser een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2022 van € 26.473 (voorlopige aanslag) opgelegd. Omdat betaling uitbleef is met dagtekening 30 oktober 2024 aan eiser een aanmaning gestuurd waarbij € 19 aan aanmaningskosten in rekening zijn gebracht. Op diezelfde dag heeft verweerder van eiser een verzoek tot uitstel van betaling van de voorlopige aanslag ontvangen. Met dagtekening 8 november 2024 is aan eiser uitstel van betaling verleend, onder - voor zover van belang - de voorwaarde dat eiser gedurende twaalf maanden maandelijks een vast bedrag betaalt van € 2.500.
2. Bij brief van 19 december 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de eerste betaling van € 2.500 niet is voldaan en heeft eiser in de gelegenheid gesteld dit bedrag alsnog te voldoen vóór 29 december 2024. Omdat betaling nog steeds uitbleef, heeft verweerder bij brief van 11 februari 2025 het uitstel van betaling ingetrokken en medegedeeld dat het openstaande bedrag van € 26.473 van de voorlopige aanslag binnen 14 dagen na dagtekening moest worden voldaan.
3. Omdat betaling van de voorlopige aanslag en een reactie op de intrekking van het uitstel van betaling uitbleef, is met dagtekening 18 maart 2025 aan eiser een dwangbevel met € 2.988 aan kosten (dwangbevelkosten) betekend.
4. Bij brief van 26 maart 2025 heeft de toenmalig gemachtigde van eiser - voor zover van belang - aan verweerder geschreven:
“Namens [eiser] maken wij bezwaar op het intrekken van de betalingsregelingen die lopen op bovenstaande aanslagnummers voor de inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet voor de jaren 2021 en 2022. (…).”
5. Op 6 mei 2025 heeft eiser telefonisch contact gehad met verweerder, via de Belastingtelefoon. In dat gesprek werd duidelijk dat eiser het (eerste) bedrag van € 2.500 heeft betaald, maar daarbij een onjuist betaalkenmerk heeft vermeld. Het gevolg van de vermelding van het onjuiste betaalkenmerk is dat het bedrag door verweerder is afgeboekt op een ander openstaand bedrag.
6. Bij brief van 13 mei 2025 heeft de voormalig gemachtigde van eiser aan verweerder - voor zover van belang - geschreven:
“Namens [eiser] maken wij bezwaar op het intrekken van de betalingsregeling en verhoging van de kosten op bovenstaande aanslagnummer voor de inkomstenbelasting 2022. (…).”
7. Bij brief van 9 juli 2025 heeft de gemachtigde, zakelijk weergegeven, aan verweerder kenbaar gemaakt dat het bezwaar van 26 maart 2025 is aangevuld bij brief van 13 mei 2025 en dat het bezwaar ook aangemerkt moet worden als gericht tegen de aanmaningsbeschikking van 30 oktober 2024 en het dwangbevel van 18 maart 2025.
8. Bij brief van 10 juli 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld omdat de termijn voor het beslissen op het bezwaar van 26 maart 2025 tegen de aanmaningsbeschikking en beschikking dwangbevel volgens eiser is verstreken.
Geschil 9. In geschil is of verweerder aan eiser een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiser van 26 maart 2025. Voorts is in geschil of het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel zijn geschonden.
10. Eiser stelt dat een dwangsom is verschuldigd, omdat verweerder nog geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan op het bezwaar van eiser van 26 maart 2025 dat volgens eiser is gericht tegen de aanmanings- en dwangbevelkosten. Voorts heeft verweerder dusdanig gehandeld dat het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel zijn geschonden.
11. Verweerder stelt dat hij geen dwangsom is verschuldigd. Eiser heeft met de brief van 26 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen de intrekking van het uitstel van betaling en daar staat geen bezwaar tegen open, maar enkel administratief beroep. Ook zijn het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel niet geschonden.
Beoordeling van het geschil
12. De rechtbank stelt vast dat eiser in [woonplaats] woont. Op grond van artikel 8:7, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Dit brengt mee dat niet deze rechtbank, maar de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is om kennis te nemen van dit beroep. Partijen hebben ter zitting evenwel desgevraagd laten weten er geen bezwaar tegen te hebben dat de rechtbank Den Haag uitspraak doet in de onderhavige beroepszaak. Gelet hierop en op de mogelijkheid dat aan de onbevoegdheid van de rechtbank in hoger beroep wordt voorbijgegaan (artikel 8:117 van de Awb), laat de rechtbank een onbevoegd verklaring achterwege.
13. Indien verweerder niet tijdig een besluit heeft genomen, kan daartegen, nadat verweerder in gebreke is gesteld, beroep worden ingesteld. Daarbij kan verzocht worden een bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
14. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewoordingen als opgenomen in de brief van 26 maart 2025 volgt dat deze brief enkel betrekking heeft op de intrekking van het uitstel van betaling. De gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting ook verklaard dat in de brief van 26 maart 2025 niet met zoveel woorden staat dat de brief ook moet worden aangemerkt als een bezwaar tegen de aanmanings- en dwangbevelkosten. Anders dan de gemachtigde stelt, kan een bezwaar op een later moment niet ook worden aangemerkt gericht te zijn tegen (andere) besluiten, welke niet expliciet zijn genoemd in dat bezwaarschrift. De brief van 26 maart 2025 moet dan ook (alleen) worden aangemerkt als een administratief beroep tegen de intrekking van uitstel van betaling. Hiertegen staat geen beroep bij de rechtbank open. Daarom is de rechtbank niet bevoegd kennis te nemen van voornoemd beroep tegen het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit.
15. Gelet op voorgaande verklaart de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dus niet toekomt aan de door eiser gestelde, en door verweerder betwiste, schending van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel en het verzoek van eiser om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
16. Op grond van artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, wordt het betaalde griffierecht van € 53 door de griffier aan eiser terugbetaald.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd;
- wijst het verzoek om de vaststelling van de bestuurlijke dwangsom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Bandsma, rechter, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
De griffier is verhinderd te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).