RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9818
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
1. Bij besluit van 20 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft met een afstandsverklaring afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te worden gehoord. Hij heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op 9 maart 2026 gesloten, nadat de afstandsverklaring van eiser is toegevoegd aan het digitale dossier.
Overwegingen
2. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b (b-grond) van de Vw. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
(lichte gronden)4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreek zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen.
Gronden
6. Eiser voert over zware grond 3a aan dat deze grond hem niet kan tegengeworpen, omdat het logisch is dat hij hier als asielzoeker zonder documenten is binnengekomen. Over zware grond 3b stelt eiser dat deze onvoldoende onderbouwd en inhoudelijk tegenstrijdig is, omdat er wordt gesproken over het geven van overlast en het plegen van strafbare feiten, en dit ziet niet op het onttrekken aan toezicht. Voor zover de motivering van grond 3b ziet op het feit dat eiser op 19 februari 2026 MOB is gegaan door op de HTL over het hek te klimmen, stelt eiser dat hij maar een halve dag MOB is geweest en dat er niet kan worden gesproken van ‘enige tijd aan het toezicht onttrekken’. De lichte gronden zijn door eiser niet bestreden.
De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Het is feitelijk juist dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen (3a). Dat hij Nederland als asielzoeker is ingereisd, maakt dit niet anders. Ook is het feitelijk juist dat eiser op 19 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken uit de HTL. Dat hij dezelfde dag in het kader van het strafrecht is aangetroffen, doet hier niet aan af.
Lichter middel
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij vanwege zijn psychische problematiek zou moeten verblijven in Veldzicht. Hier kan zijn psychische gesteldheid worden onderzocht, en dit kan in het detentiecentrum in Rotterdam niet.
Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
Van detentieongeschiktheid is pas sprake als vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg niet toereikend is, of als is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, of wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door een gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Eiser heeft niet met stukken aangetoond dat sprake is van een van deze omstandigheden. Daarnaast heeft de minister eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
8. Op 2 maart 2026 heeft de minister een nader gehoor afgenomen met eiser in het kader van zijn asielaanvraag. Op 4 maart 2026 heeft de minister een voornemen uitgebracht. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.