[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. De minister heeft op 24 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen. Mr. Pater is, als waarnemer van haar kantoorgenoot mr. Rasul, op de rechtbank in Groningen verschenen. Daar is ook een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(lichte gronden) 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. Op 13 februari 2026 is de asielaanvraag van eiser afgewezen. Bij dit besluit heeft hij ook een inreisverbod gekregen. Eiser had op dat moment nog een geldig terugkeerbesluit, dat op 25 oktober 2025 aan hem is opgelegd. De bewaring is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat zware grond 3a niet aan hem kan worden tegengeworpen, omdat hij als asielzoeker naar Nederland is gekomen. Ten aanzien van zware grond 3b voert eiser aan dat hij nooit MOB is gegaan en sinds zijn asielaanvraag altijd onder toezicht is geweest. Zware grond 3c kan eiser niet worden tegengeworpen omdat hij geen uitleg en vertaling van zijn terugkeerbesluit heeft gekregen, en daarom niet wist van zijn vertrekplicht. Ook zware grond 3d kan eiser niet worden tegengeworpen, omdat hij over zijn identiteit en nationaliteit heeft verklaard. Over de lichte gronden 4c en 4d stelt eiser dat deze gronden hem als asielzoeker niet mogen worden tegengeworpen.
De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 4c en 4d in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat.
De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a, 3b, 3c en 3d aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. Het is feitelijk juist dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen (3a). Dat hij als asielzoeker Nederland is ingereisd, maakt dit niet anders. Ook is het feitelijk juist dat eiser zich heeft onttrokken aan het toezicht (3b), omdat hij geen melding heeft gemaakt van zijn illegaal verblijf bij de korpschef. Daarnaast is zware grond 3c feitelijk juist, omdat hij geen gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht. In het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit is - met een tolk Pidgin Engels - aan het einde uitgelegd dat een terugkeerbesluit van 28 dagen wordt opgelegd. Eiser heeft aangegeven dat hij dit heeft begrepen. Verder heeft hij zich niet aantoonbaar ingespannen om documenten te verkrijgen, dus zware grond 3d is ook feitelijk juist.
Dat lichte gronden 4c en 4d niet aan eiser kunnen worden tegengeworpen omdat hij een asielzoeker is, volgt de rechtbank niet. Eiser beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en ook niet over voldoende middelen van bestaan, zodat ook deze lichte gronden terecht aan eiser zijn tegengeworpen. Daarbij is het onttrekkingsrisico eveneens gemotiveerd.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft gekozen voor een lichter middel. Eiser stelt dat hij bereid is om mee te werken aan terugkeer, en daarnaast heeft hij familie in Duitsland.
Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Dat eiser familie heeft in Duitsland doet hier niet aan af, omdat eiser niet aangetoond dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie met deze familieleden. Dat eiser stelt dat hij nu bereid is om mee te werken aan terugkeer heeft de minister onvoldoende mogen vinden om een lichter middel op te leggen. Eiser heeft zijn vertrekwens namelijk onvoldoende geconcretiseerd. Bovendien neemt dit het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet weg.
Eiser heeft geen medische omstandigheden kenbaar gemaakt. Door de minister is eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser geen andere persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid
7. Op de zitting heeft de minister aangegeven dat op de dag van de inbewaringstelling een laissez-passer (lp)-aanvraag is opgestart voor eiser. Op 26 februari 2026 heeft het Openbaar Ministerie aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de uitzetting van eiser. Daarnaast heeft 2 maart 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden. Op 3 maart 2023 is de lp-aanvraag doorgezet naar de Nigeriaanse autoriteiten. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
8. De rechtbank neemt aan dat zicht op uitzetting naar Nigeria in het algemeen, maar ook specifiek voor eiser niet ontbreekt.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.