RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaken tussen
[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.50647 en NL25.50648
[eiseres] , v-nummer: [nummer 2], eiseres
mede namens hun minderjarige kinderen
[naam kind 1] , v-nummer: [nummer 3],
[naam kind 2], v-nummer: [nummer 4],
eisers
(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en
(gemachtigde: mr. A. Bondarev).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 10 oktober 2025 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eisers hebben de Jemenitische nationaliteit. Zij zijn in mei 2019 gevlucht naar
Ecuador. Hier hebben eisers twee jaar en vijf maanden gewoond. In Ecuador hadden eisers reguliere verblijfsvergunningen. Hun jongste zoon is in Ecuador geboren en heeft de Ecuadoriaanse nationaliteit. Eiser werkte daar af en toe als Uber-chauffeur. Eisers willen niet terug naar Ecuador, omdat eiser daar een aantal keer werd bedreigd door de maffia. De maffia had namelijk gezien dat eiser een buitenlander was. Hij is daarom geslagen en bestolen. Eiser heeft één van hen ook geslagen en denkt dat de maffia ook wraak wil nemen. Daarom moesten zij van de ene plek naar de andere gaan. Eerst waren eisers in Quito en daarna zijn zij naar Santo Domingo gegaan. Eisers hebben op 1 september 2022 in Nederland asielaanvragen ingediend.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
4. Op 18 maart 2025 zijn de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 27 juni 2025 is het beroep van eisers gegrond verklaard, omdat de minister ondeugdelijk had gemotiveerd waarom Ecuador als veilig derde land kan worden aangemerkt.
Op 10 oktober 2025 heeft de minister de asielaanvragen van eisers wederom niet-ontvankelijk verklaard, omdat Ecuador in zijn algemeenheid kan worden aangemerkt als veilig derde land. Ten aanzien van de geloofwaardigheid van de asielmotieven heeft de minister geen tweede beoordeling gemaakt, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden zoals genoemd in artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Verder hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Met de bestreden besluiten van 10 oktober 2025 heeft de minister uitvoering willen geven aan de eerder genoemde uitspraak van de rechtbank door de motivering van Ecuador als veilig derde land aan te vullen en te verduidelijken. De minister stelt zich op het standpunt dat conform 3.106a van het Vb 2000 Ecuador als veilig derde land kan worden aangemerkt. De minister concludeert dat de asielaanvragen niet-ontvankelijk zijn op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Ook is aan eisers eerder een terugkeerbesluit opgelegd met de aanzegging dat zij Nederland binnen vier weken moeten verlaten.
Had de minister een nieuw voornemen moeten uitbrengen?
5. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het uitbrengen van een nieuw voornemen. De minister had de nieuwe motivering van Ecuador als veilig derde land in een voornemen moeten neerleggen zodat eisers met een zienswijze hadden kunnen reageren.
De rechtbank overweegt dat de achterliggende gedachte van de voornemenprocedure is dat een vreemdeling al eerder dan in de beroepsfase inhoudelijke argumenten kan geven om het voorgenomen standpunt van de minister te bestrijden, waardoor het uiteindelijke besluit naar verwachting een deugdelijke motivering bevat, als bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verder overweegt de rechtbank dat uit artikel 3.119 van het Vb 2000 volgt dat, wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden bekend worden, of reeds bekend waren, maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en de minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, dit aan de vreemdeling wordt meegedeeld en hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, waardoor de minister geen nieuw voornemen had hoeven uitbrengen en daarmee ook niet in strijd heeft gehandeld met artikel 3.119 van het Vb 2000. De minister heeft namelijk aan het voornemen en de beschikking in de kern dezelfde grond voor afwijzing van de asielaanvraag ten grondslag gelegd, namelijk dat eisers volgens de minister een band hebben met Ecuador en dat Ecuador voor hen als veilig derde land aan te merken is en dat zij verder niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Daar komt bij dat eisers niet concreet hebben gemaakt hoe zij in hun belangen zijn geschaad, nu eisers door middel van aanvullende beroepsgronden ook de mogelijkheid hebben gekregen om te reageren op het standpunt van de minister. De beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister Ecuador als veilig derde land beschouwen voor eisers?
Juridisch kader
6. De minister kan een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als hij een derde land voor een vreemdeling als veilig derde land beschouwt. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 december 2017 volgt dat de minister allereerst aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk moet motiveren dat de vreemdeling in het derde land volgens de in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 genoemde beginselen wordt behandeld. Het gaat er dan onder meer om dat de vreemdeling geen risico loopt op ernstige schade, het beginsel van non-refoulement wordt nageleefd en voor de vreemdeling de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag te ontvangen. Vervolgens kan de minister slechts tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, als die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land. De beoordeling die de minister in dit kader moet verrichten, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.
De rechtbank zal de door eisers aangevoerde gronden bespreken aan de hand van dit toetsingskader.
Ecuador als veilig derde land
7. Eisers betogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat Ecuador in het algemeen kan worden beschouwd als een veilig derde land. Zij voeren hiertoe aan dat de minister ten onrechte voorbij is gegaan aan relevante landeninformatie. Daarnaast is Ecuador voor eisers gezien hun situatie geen veilig derde land. Volgens eisers is immers niet voldoende gemotiveerd waarom de beschreven situatie in de overgelegde rapporten en artikelen niet voor hen zou gelden. Daarnaast wijzen eisers op nieuwe landeninformatie, waaronder twee recente brieven van VluchtelingenWerk Nederland (VWN), met ontwikkelingen sinds december 2024 over de situatie van vluchtelingen, asielzoekers, en georganiseerde misdaad en mogelijke overheidsbescherming.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Ecuador in zijn algemeenheid kan worden aangemerkt als veilig derde land. Verder heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers volgens de beginselen genoemd in artikel 3.37e, eerste lid, van het Vv 2000 en artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 behandeld zullen worden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De minister heeft gewezen op de herbeoordeling van het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) van juli 2025 en op het Informatiebericht (IB) 2025/36. Hoewel in de bronnen waar de minister naar verwijst wordt onderkend dat de situatie in Ecuador verslechterd is, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat het geweld in Ecuador van een dusdanige intensiteit of ernst is dat migranten op voorhand te vrezen hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade. Zo volgt uit de herbeoordeling van het TOELT dat Ecuador partij is bij internationale verdragen en is het refoulement verbod opgenomen in de grondwet. De bronnen die eisers hebben overgelegd en op de zitting hebben toegelicht maken het oordeel van de rechtbank niet anders. Deze bronnen zijn veelal betrokken bij de herbeoordeling. De minister heeft verder met betrekking tot het USDOS rapport van 23 april 2024 dat door eisers is overgelegd terecht gesteld dat eisers niet hebben aangetoond dat uit dat rapport blijkt dat vreemdelingen die een status genieten in een vergelijkbare situatie verkeren als vluchtelingen en asielzoekers. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat het door eisers geciteerde deel van criminele activiteiten op de noord- en zuidgrens zien. Dat volgt ook uit de herbeoordeling. Eisers hebben in Ecuador verbleven in Quito en Santa Domingo, beide steden die zich niet aan de grens van Ecuador bevinden. Daar komt bij dat eisers een reguliere status hebben in Ecuador en de daaraan verbonden rechten hebben. Dat eisers verklaringen van de Spaanse ambassade hebben overgelegd waarin staat dat de nog lopende verblijfsrechten zijn geannuleerd, maakt dat niet anders. Eisers hebben immers zelf naar de ambassade gebeld om hun verblijfsvergunningen te annuleren. Niet is gebleken dat zij niet zullen worden toegelaten tot Ecuador en alsnog verblijfsvergunningen kunnen krijgen. Verder hebben eisers niet inzichtelijk gemaakt waarom de informatie met betrekking tot de Venezolanen van toepassing is op de situatie van eisers, nu eisers de Jemenitische nationaliteit hebben en in het bezit zijn van reguliere verblijfsvergunningen omdat hun jongste zoon de Ecuadoriaanse nationaliteit heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de informatie over Venezolaanse vluchtelingen niet van toepassing is op de situatie van eisers.
De rechtbank is verder van oordeel dat de twee brieven van VWN van 3 februari 2026 die eisers hebben overgelegd, het voorgaande niet anders maken. Die brieven hebben betrekking op criminaliteit en overheidsbescherming en de asielprocedures in Ecuador. Daaruit volgt dat het aantal slachtoffers van bendegeweld is gestegen en dat een steeds groter deel van de bevolking in Ecuador wordt getroffen door de escalatie van het geweld in Ecuador. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat ook die informatie als zodanig niet wezenlijk verschilt van de informatie in de herbeoordeling van TOELT en het IB 2025/36. Uit de overgelegde landeninformatie en de brieven van VWN kan ook niet worden geconcludeerd dat op voorhand sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, waardoor eisers door enkel hun aanwezigheid risico lopen op willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt niet.
Ecuador als veilig derde land voor eisers in het licht van het asielmotief
8. Eisers voeren verder aan dat de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd zijn omdat persoonlijke problemen met de maffia, het niet kunnen doen van aangifte en de veiligheid van eisers in Ecuador niet zijn meegenomen. De minister heeft volgens eisers ook miskend dat de kinderen van eisers onleefbare beperkingen hadden, zoals het niet meer naar school kunnen gaan, en het gegeven dat eiseres niet meer buitenshuis durfde te komen en geen medische hulp kon krijgen. Ook stelt de minister ten onrechte dat eisers bij problemen bescherming bij de autoriteiten kunnen zoeken, terwijl uit landeninformatie blijkt dat de politie niet optreedt tegen geweld en corrupt is. Omdat de maffia eisers bedreigde in het geval zij melding zouden maken bij de politie, kan hen niet worden verweten dat zij geen aangifte deden. Verder wijst de minister ten onrechte op het nog geldig zijnde verblijfsrecht van eisers, terwijl de verblijfsvergunningen van eisers en hun kind Aiham zijn geannuleerd. Ten slotte voeren eisers aan dat eiseres momenteel zwanger is en in mei 2026 uitgerekend is, wat haar positie extra kwetsbaar maakt nu de ongeboren baby geen verblijfsrecht heeft.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat Ecuador ook in het geval van eisers als veilig derde land kan worden aangemerkt. De minister heeft hierbij terecht gesteld dat de reden voor de bedreigingen enkel is gebaseerd op vermoedens van eiser. Eisers hebben ook niet nader onderbouwd dat het specifiek ging om geweld door de maffia en dat het niet ging om willekeurige geweldsincidenten. Ook heeft de minister mogen tegenwerpen dat eisers ondanks de gestelde bedreigingen en geweldsincidenten zijn teruggekeerd naar Quito voor het verkrijgen van een visum, nadat ze naar Santa Domingo zijn geweest, en dat dit niet strookt met de door hen gestelde vrees. Eisers verklaringen dat Quito een grotere stad is en dat zich in Quito een Spaanse ambassade bevindt, maakt dat niet anders. De minister heeft daarbij terecht gesteld dat er in Guayaquil een consulaat is waar eveneens een Schengenvisum kan worden aangevraagd. De verklaringen van eisers over hun terugkeer naar Quito vanuit Santo Domingo doen dus niet af aan de tegenwerping van de minister dat eisers, ondanks dat ze stellen dat ze in Quito gevonden konden worden, zijn teruggekeerd. Dat de kinderen toen niet meer naar school konden en eiseres niet meer naar buiten kon, maakt het voorgaande ook niet anders. De minister heeft daarbij kunnen stellen dat eisers er immers zelf voor hebben gekozen om binnenshuis te blijven. Daarbij is niet gebleken dat dit voor eisers de enige optie was.
De rechtbank oordeelt verder dat de minister terecht heeft gesteld dat eisers hun verklaringen over de geweldsincidenten niet hebben onderbouwd en geen aangifte hebben gedaan. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat eisers ervoor gekozen hebben om geen aangifte te doen vanwege de dreiging dat zij na vrijlating weer zullen worden opgezocht, maar dat zij niet hebben aangetoond dat de Ecuadoriaanse autoriteiten hen niet zouden willen of kunnen beschermen. Ook daarbij heeft de minister, zoals overwogen in 7.1, terecht gesteld dat eisers legaal verblijf hebben in Ecuador en toegang hadden tot de basisvoorzieningen. Eisers hadden namelijk toegang tot de arbeidsmarkt, konden een onderkomen huren en hadden toegang tot de medische zorg. Bovendien waren de kinderen niet uitgesloten van onderwijs en toegang tot onderwijs was gratis. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat uit landeninformatie blijkt dat het vragen van bescherming aan de autoriteiten van Ecuador in het algemeen mogelijk is. Dat volgens eisers de autoriteiten na het vragen van bescherming geen bescherming zouden verlenen, is ook niet gebleken. Eisers hebben immers niet geprobeerd om bescherming te vragen. Met betrekking tot het ongeboren kind van eiseres oordeelt de rechtbank dat de minister terecht heeft gesteld dat zij in Ecuador ook de zorg kan verkrijgen die zij nodig heeft. Eiseres is immers ook van haar tweede kind in Ecuador bevallen. Daar komt bij dat het ongeboren kind van eisers al dan niet een afgeleid verblijfsrecht zal kunnen krijgen vanwege de, zoals hiervoor genoemd, reguliere verblijfsvergunningen van eisers. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.