ECLI:NL:RBDHA:2026:5121

ECLI:NL:RBDHA:2026:5121

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer NL24.48974
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Mvv; Syrische nationaliteit; broer van referent; hechte persoonlijke banden; bijkomende elementen van afhankelijkheid; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.48974

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),

en

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om als familie- of gezinslid bij zijn broer [naam broer 1] (referent) te verblijven. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv om bij referent te verblijven. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van deze zaak

3. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is afkomstig uit Aleppo, Syrië, evenals zijn broers en ouders. Zij zijn allen eind 2013 vanwege de oorlog uit Syrië gevlucht en hebben zich in Turkije gevestigd, waar zij als gezin hebben samengewoond. In oktober 2020 zijn referent en eiser samen met hun broer uit Turkije vertrokken. Tijdens deze reis is eiser in Oostenrijk aangehouden, en referent is doorgereisd naar Nederland. Eiser verblijft sinds 2021 rechtmatig in Oostenrijk. Referent is op 20 juni 2021 Nederland ingereisd en heeft een asielaanvraag ingediend. Aan hem is op 14 februari 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Vervolgens heeft referent op 4 mei 2022 aanvragen om een mvv ingediend ten behoeve van zijn ouders en broers. Bij besluiten van 10 juli 2023 zijn de aanvragen van de ouders en één broer ingewilligd, waarna zij naar Nederland zijn gekomen. De aanvraag van eiser is bij datzelfde besluit afgewezen.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat tussen eiser en referent en zijn andere broer [naam broer 2] niet is gebleken van hechte persoonlijke banden. Ook is niet gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn ouders. Er is volgens de minister daarom geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024 is daarom geen belangenafweging gemaakt.

Is tussen eiser en zijn broers sprake van hechte persoonlijke banden?

5. Eiser betoogt dat tussen hem en zijn broers [naam broer 1] en [naam broer 2] sprake is van hechte persoonlijke banden. Eiser voert aan dat zij vóór hun vlucht uit Syrië altijd als één gezin samen hebben gewoond en ook in Turkije als gezin samen hebben verbleven. Zij hebben altijd de intentie gehad om als gezin samen te blijven. Dat duidt volgens hem op hechte persoonlijke banden die verdergaan dan normale familiebanden. Voor de beoordeling van deze hechte persoonlijke banden is niet relevant wie binnen het gezin de zorg droeg of in staat was zorg te verlenen. De hechte banden zijn volgens eiser een gegeven dat rechtstreeks uit de feitelijke gezinssituatie voortvloeit. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij de beantwoording van de aanvullende vragen van de minister in het kader van de schriftelijke hoorzitting van 24 oktober 2024 pas op 21 januari 2025 van eiser heeft ontvangen en daarom niet eerder heeft kunnen overleggen.

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wordt slechts familie- of gezinsleven tussen meerderjarige broers en zussen aangenomen, als uit de feiten en omstandigheden volgt dat sprake is van hechte persoonlijke banden. Hechte persoonlijke banden is een begrip van feitelijke aard. Of daarvan sprake is, moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Er moet daarbij sprake zijn van een band die de gebruikelijke omgang overstijgt.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiser en zijn broers geen sprake is van hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke omgang tussen broers overstijgen. De enkele omstandigheid dat eiser en zijn broers vóór hun vlucht uit Syrië en tijdens hun verblijf in Turkije als gezin hebben samengewoond, is onvoldoende om te kunnen spreken van hechte persoonlijke banden die de normale broerrelatie overstijgen. Samenwoning binnen een gezinssituatie, waarin ook de ouders aanwezig waren en de ouderlijke zorg uitoefenden, is op zichzelf een gebruikelijk kenmerk van een gezinsrelatie en vormt geen bijzondere omstandigheid waaruit volgt dat sprake is van hechte persoonlijke banden in vorenbedoelde zin. Dat, zoals eiser aanvoert, voor de beoordeling niet relevant is wie de zorg droeg, volgt de rechtbank niet, nu juist de aard en intensiteit van de onderlinge afhankelijkheid en zorgrelatie van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een band die de gebruikelijke familierelatie overstijgt. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte meegewogen dat eiser sinds 2021 in Oostenrijk woont en niet meer met zijn broers samenwoont en dat de feitelijke invulling van de relatie sindsdien plaatsvindt op afstand. Dat eiser heeft verklaard dat hij dagelijks contact onderhoudt met zijn broers via WhatsApp, dat sprake is van een sterke emotionele band en dat hij zijn verblijf in Oostenrijk als gedwongen ervaart, maakt niet dat reeds daarom sprake is van hechte persoonlijke banden. Dergelijk contact en emotionele betrokkenheid zijn op zichzelf begrijpelijk en passend binnen een normale familierelatie tussen broers, maar vormen geen grond om familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Dat geldt ook voor de gestelde intentie om als broers (met hun ouders) samen te blijven. Eiser heeft niet kunnen concretiseren waaruit de gestelde hechte persoonlijke banden verder blijken. De beroepsgrond slaagt niet.

Is tussen eiser en zijn ouders sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid?

6. Eiser betoogt dat tussen hem en zijn ouders sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hiertoe voert hij aan dat de hechte familieband die vóór de vlucht uit Syrië bestond, volgens eiser niet verbroken is door zijn verblijf in Oostenrijk. Dat eiser sinds 2021 in Oostenrijk woont, maakt volgens hem niet dat de bestaande hechte banden met zijn ouders zijn komen te vervallen. Eiser benadrukt dat het uitgangspunt van de Gezinsherenigingsrichtlijn is dat moet worden getoetst of het gezin kan worden hersteld in de situatie zoals die bestond vóór de vlucht uit het land van herkomst. De minister heeft deze toets volgens eiser achterwege gelaten en zich uitsluitend gericht op de feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit. Dat is volgens eiser onvoldoende. Verder voert eiser aan hij dat de aanvullende vragen van de minister in het kader van de schriftelijke hoorzitting van 24 oktober 2024 niet tijdig heeft beantwoord, maar dat dit hem niet kan worden tegengeworpen, omdat de minister al vóór het verstrijken van de gegeven termijn (van twee weken) het bestreden besluit heeft genomen. Bovendien merkt eiser op dat brieven die per post worden verzonden op 24 oktober 2024 niet tijdig kunnen aankomen, zodat het voor hem onmogelijk was om nog binnen de termijn te reageren of om uitstel te vragen.

Volgens het EHRM kan worden gesproken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen als sprake is van ‘further elements of dependancy, involving more than the normal emotional ties’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid feitelijk van aard is en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of hiervan sprake is. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiser en zijn ouders geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt voorop dat eiser meerderjarig is. De minister heeft in dit verband kunnen betrekken dat eiser sinds oktober 2020 niet meer met zijn ouders samenwoont en sinds 2021 rechtmatig in Oostenrijk verblijft, waar hij een uitkering ontvangt en in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij, indien nodig, zelfstandig kan wonen en voor zichzelf kan zorgen. Hieruit volgt dat eiser zich feitelijk zelfstandig kan handhaven. Dat eiser stelt dat de hechte familieband zoals die vóór de vlucht uit Syrië bestond niet is verbroken, is op zichzelf onvoldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen, nu beslissend is of ten tijde van het bestreden besluit sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft verder niet ten onrechte mogen betrekken dat niet is gebleken van financiële afhankelijkheid van eiser ten opzichte van zijn ouders, omdat eiser een uitkering ontvangt van de Oostenrijkse autoriteiten en niet heeft gesteld of onderbouwd dat hij financieel door zijn ouders wordt onderhouden. Ook heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde emotionele band en het contact met zijn ouders, hoe begrijpelijk en hecht ook, behoren tot de normale emotionele banden tussen ouders en hun meerderjarige kind. Dat eiser zijn verblijf in Oostenrijk als gedwongen ervaart en zijn gezin mist, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit geen objectieve aanwijzing vormt voor een afhankelijkheid die zijn zelfstandige functioneren beperkt. Ook is niet gebleken van medische omstandigheden die maken dat eiser voor zijn dagelijkse functioneren afhankelijk is van de zorg van zijn ouders. Voor zover eiser aanvoert dat de minister had moeten toetsen of het gezin kan worden hersteld in de situatie zoals die bestond vóór de vlucht uit Syrië, volgt de rechtbank hem hierin niet. De minister heeft terecht beoordeeld of ten tijde van het bestreden besluit sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid in de zin van artikel 8 van het EVRM. De omstandigheid dat eiser vóór zijn vertrek met zijn ouders in gezinsverband heeft samengeleefd, is daarbij kenbaar betrokken, maar leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ten aanzien van de door eiser gestelde omstandigheid dat hij niet tijdig heeft kunnen reageren op de vragenbrief van 24 oktober 2024, overweegt de rechtbank dat de minister eiser een reactietermijn van twee weken heeft geboden. Vaststaat dat eiser niet binnen deze termijn heeft gereageerd en dat de antwoorden eerst op 21 januari 2025 in beroep zijn overgelegd. De minister heeft het bestreden besluit daarom mogen baseren op de gegevens die op dat moment beschikbaar waren. Overigens bevatten de later overgelegde antwoorden zoals de minister zich ter zitting niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, geen concrete en objectieve gegevens waaruit alsnog blijkt van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?