RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7084
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hiertoe doet zij een verzoek om toekenning voor schadevergoeding voor geleden immateriële schade.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S. van Beek-Nikitina. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Informatiefolder
1. Eiseres stelt dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod onrechtmatig zijn, omdat ten onrechte geen informatiefolder aan haar is uitgereikt in een taal die zij begrijpt.
2. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod volgt dat de redenen waarom deze aan eiseres zou worden opgelegd (de zware en de lichte gronden) met haar zijn besproken met een vertaling door een beëdigde Russische tolk. Eiseres gaf aan alles wat de tolk had gezegd te begrijpen. Daarnaast blijkt uit het terugkeerbesluit zelf dat deze is uitgereikt aan eiseres en dat de betekenis en de gevolgen van het inreisverbod mondeling in de Russische taal zijn toegelicht. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Terugkeerbesluit
3. In het terugkeerbesluit heeft verweerder overwogen dat eiseres een vertrektermijn wordt onthouden, omdat een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiseres stelt dat haar ten onrechte geen terugkeertermijn is verleend en betwist alle zware gronden en alle lichte gronden. Eiseres vindt verder dat deze gronden niet tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van een onttrekkingsrisico.
5. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 16 februari 2026 (met zaaknummer NL26.5677) waarin de gronden van de maatregel van bewaring die tegelijk met dit terugkeerbesluit is opgelegd aan eiseres zijn getoetst en rechtmatig zijn bevonden. De zware gronden 3a en 3b zijn, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende om op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw aan eiseres een vertrektermijn te onthouden. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod
6. Eiseres voert verder aan dat de duur van twee jaar van het inreisverbod met SIS-signalering niet proportioneel is, niet deugdelijk gemotiveerd en dat er geen sprake is van een redelijke belangenafweging.
7. Verweerder vaardigt op grond van artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een inreisverbod uit tegen een vreemdeling die Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Op grond van artikel 66a, vierde lid, van de Vw en artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren. Verweerder kan op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.
8. Uit wat onder rechtsoverweging 5. is overwogen volgt dat verweerder terecht aan eiseres een vertrektermijn heeft onthouden, zodat verweerder was gehouden aan eiseres een inreisverbod op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. De reden hiervoor is dat eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van het inreisverbod geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht om van het inreisverbod af te zien. Voor zover eiseres betoogt dat zij soms last heeft van hoofdpijn en daarom twee maal daags paracetamol gebruikt hoefde dat voor verweerder geen reden te zijn om af te zien van het inreisverbod dan wel de duur ervan te verkorten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gezins- en privéleven en non-refoulement
9. Eiseres stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar gezins- en privéleven en het non-refoulementbeginsel, gezien haar persoonlijke omstandigheden, waaronder haar seksuele geaardheid.
10. De rechtbank overweegt dat het terugkeerbesluit is opgeschort vanwege de thans lopende asielprocedure van eiseres. Ook haar persoonlijke omstandigheden en het beroep op artikel 3 en 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden kunnen in dat kader van aan de orde komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding
11. De rechtbank zal het verzoek om (immateriële) schadevergoeding (van € 5.000,-) voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit en inreisverbod afwijzen, omdat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij daardoor (immateriële) schade heeft geleden.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Ook het verzoek om (immateriële) schadevergoeding wordt afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.