RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6377
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. den Toonder),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Verweerder heeft op 30 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 januari 2026 (in de zaak NL26.250) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 januari 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 8 januari 2026 tot 18 februari 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser stelt dat er geen uitzicht is op uitzetting naar Marokko, omdat verweerder ten onrechte het laissez-passer (lp)-traject alleen vanaf 14 april 2023 meeneemt, terwijl dit traject al sinds 4 mei 2017 loopt zonder resultaat. Zijn Marokkaanse nationaliteit is sinds 2019 bevestigd via vingerafdrukken, maar de Marokkaanse autoriteiten weigeren hem terug te nemen. Eiser werkt mee, maar wil zijn strafrechtelijke gegevens niet delen om daar met een schone lei te beginnen. Omdat de Marokkaanse autoriteiten al anderhalf jaar geen standpunt innemen over zijn weigering om zijn strafrechtelijke gegevens te delen, kan hem niet verweten worden dat hij niet meewerkt. Volgens eiser toont dit langdurige stilzitten aan dat het lp-traject feitelijk is vastgelopen en dat uitzetting binnen redelijke termijn niet te verwachten is.
4. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033 en 27 januari 2025, ECLI:RVS:2025:219. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in de periode voorafgaand aan deze uitspraak in het geval van Marokko lp’s zijn verstrekt en gedwongen vertrekken met een lp hebben plaatsgevonden.
5. De rechtbank merkt op dat de beroepsgrond over het zicht op uitzetting naar Marokko al eerder is behandeld in de uitspraak van 13 januari 2026. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 4. van deze uitspraak. Omdat de situatie sindsdien niet is veranderd, blijft het oordeel hetzelfde. De nationaliteit van eiser is op 14 april 2023 bevestigd, waardoor verweerder terecht deze datum als start van het lp-traject heeft genomen. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten is in het algemeen de nodige tijd gemoeid. Daarbij hebben de Marokkaanse autoriteiten aangegeven een lp te verstrekken op voorwaarde dat eiser zijn strafrechtelijke gegevens deelt. Van eiser mag worden verwacht dat hij zelf in het kader van de op hem rustende meewerkverplichting alles in het werk stelt om terugkeer naar zijn land van herkomst mogelijk te maken. Eiser kan dus zelf zijn uitzetting bespoedigen door, gelet op zijn meewerkverplichting, mee te werken aan het delen van zijn strafrechtelijke gegevens. Eiser heeft verder geen concrete aanwijzingen gegeven dat het traject zal mislukken of dat geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
6. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Tijdens de zitting van 12 november 2025 gaf verweerder aan het dossier op te schalen om het lp-traject te versnellen, maar dat blijkt niet uit het dossier. Uit de voortgangsrapportage (M120-formulier) blijkt dat de zaak op 26 november 2025 met de Marokkaanse consul is besproken, maar sindsdien zijn alleen standaard schriftelijke rappels verstuurd, vergelijkbaar met de rappellijn die sinds 2017 wordt gevolgd. Er is dus geen sprake van intensivering of prioritering van de zaak van eiser.
7. De rechtbank merkt op dat verweerder op 26 november 2025 de zaak besproken met de Consul Generaal van Marokko, die heeft aangegeven de zaak intern verder te zullen behandelen (zie M120). Dit is gebeurd naar aanleiding van de mededeling dat het dossier wordt opgeschaald. Daarnaast zijn er maandelijks rappels verstuurd en is een vertrekgesprek gevoerd. Daarbij komt dat eiser zelf onvoldoende meewerkt. Zo heeft hij aangegeven zijn vertrek in vrijheid wil regelen, zoals blijkt uit het vertrekgesprek van 27 januari 2026. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er een nieuw gesprek met de Marokkaanse consul voor volgende week gepland stond, maar dat deze is geannuleerd. Op de dag van de zitting zal een nieuwe datum voor het gesprek bekend worden gemaakt. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, gezien de uitzonderlijk lange duur van het lp-traject, het ontbreken van enig realistisch perspectief en de consistente medewerking die eiser al jaren verleent.
9. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich in de periode sinds 13 januari 2026 gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan waardoor het risico op onttrekking is afgenomen, of waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De rechtbank betrekt hier ook bij dat eiser in het vertrekgesprek van 27 januari 2026 heeft verklaard dat hij niet vanuit detentie wil terugkeren naar Marokko en hij geen acties heeft ondernomen om bij te dragen aan zijn terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.