RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32853
(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),
en
(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).
Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Ghanmi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1964 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft op 7 juli 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.
Eiser is lid geweest van de Baath-partij ten tijde van het regime van Saddam Hoessein. Om die reden werd hij na de machtswisseling in 2003 in zijn woonplaats Bagdad bedreigd door de Sadrist-beweging, met name door [persoon A] . In 2004 is hij vanwege deze bedreigingen verhuisd naar Hosseinia. Nadat het kantoor van de Sadrist-beweging was verplaatst, is eiser in 2013 terugverhuisd naar Bagdad. Hij werd toen opnieuw bedreigd door [persoon A] , ook omdat zijn zoon afvallig was en zich bekeerd had tot het Christendom en omdat zijn dochter veel wisselende relaties had en beschuldigd werd van prostitutie. Begin 2014 is er een aanslag gepleegd op zijn huis, waarbij zijn zoon en dochter gewond zijn geraakt. Vijf dagen later hebben zijn zoon en dochter het land verlaten, en is eiser weer vertrokken naar Hosseinia. Daar heeft hij tot in 2021 verbleven. Op 7 mei 2021 heeft eiser Irak verlaten. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser dat hij gedood zal worden door de Sadrist-beweging.
Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij homoseksueel is en in Irak verschillende relaties heeft gehad met mannen. Zijn broer is hierachter gekomen en heeft gedreigd om de Iraakse autoriteiten hierover in te lichten. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser ook dat hij een gevangenisstraf van twintig jaar zal krijgen vanwege zijn geaardheid.
Het bestreden besluit
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met de Sadrist-beweging;
- homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Het tweede en het derde element heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat in dat verband niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen of bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet op het voorgaande, en nu eiser zijn asielaanvraag volgens verweerder niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser, naar aanleiding van op 3 juli 2025 overgelegde medische stukken, voorlopig uitstel van vertrek verleend, in afwachting van een definitieve (ambtshalve) beoordeling in het kader van artikel 64 van de Vw.
Beroepsgronden
Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn problemen met de Sadrist-beweging ongeloofwaardig zijn. Eiser heeft hierover, anders dan verweerder stelt, niet tegenstrijdig verklaard, maar aanvullend. Zo waren er meerdere redenen voor zijn vertrek, heeft hij niet letterlijk maar in figuurlijke zin bedoeld dat hij als een gevangene leefde in Hosseinia en stonden zowel hijzelf als zijn kinderen in de negatieve belangstelling van de Sadrist-beweging.
Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte zijn homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig heeft bevonden. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de verklaringen van eiser hierover wisselend, inconsistent, summier en oppervlakkig zijn. Ten onrechte stelt verweerder dat de verklaring dat hij enkel op mannen valt niet strookt met zijn verklaringen over de relatie met zijn toenmalige echtgenote. Verder heeft eiser meerdere redenen genoemd waarom hij tot nu toe in Nederland nog geen ervaringen heeft opgedaan met homoseksualiteit. Hij heeft hierover dus niet ongerijmd verklaard, aldus eiser.
Tot slot voert eiser aan dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eiser heeft moeite met het onthouden van data en weet daarom niet precies wanneer hij in Nederland is aangekomen. Volgens eiser dient verweerder ervan uit te gaan dat hij op 4 juli 2022 is aangekomen, omdat hij deze datum op 7 juli 2022 heeft genoemd tijdens het verhoor bij de vreemdelingenpolitie. Voor zover zou worden uitgegaan van 18 juni 2022 als aankomstdatum in Nederland, stelt eiser dat hij zijn asielaanvraag niet onredelijk laat heeft ingediend. Hij had namelijk na een lange en zware reis enige tijd nodig om bij te komen. Hierbij merkt eiser op dat de termijn van 48 uur waarbinnen vreemdelingen zich dienen te melden bij de autoriteiten niet voor hem zou moeten gelden, omdat deze regel is bedoeld om tegen te gaan dat vreemdelingen eerst een tijd in Nederland rondzwerven en pas asiel aanvragen als ze staande worden gehouden of in bewaring worden gesteld.
Het oordeel van de rechtbank
Opmerking vooraf
5. Alvorens het bestreden besluit aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden te toetsen, hecht de rechtbank eraan het volgende op te merken.
Op de zitting was eiser nauwelijks aanspreekbaar, bleek hij zich nog maar zeer weinig te kunnen herinneren van zijn asielaanvraag en zijn asielmotieven en maakte hij een (mentaal) zeer kwetsbare indruk. Ten tijde van het nader gehoor op 21 en 24 maart 2025 was deze zorgelijke gezondheidssituatie echter nog niet aan de orde. De gehoormedewerker heeft toen, verspreid over twee dagen, zeer uitgebreid met eiser kunnen spreken over zijn asielmotieven, wat heeft geleid tot een gehoorverslag van 45 pagina’s. Door de gemachtigde van eiser is ook niet gesteld dat deze situatie zich ten tijde van het nader gehoor al voordeed en dat eiser destijds niet goed heeft kunnen verklaren. Dit blijkt ook niet uit het rapport van Medifirst. De rechtbank leidt hieruit af dat er op enig moment ná het nader gehoor maar vóór de zitting bij de rechtbank iets met eiser moet zijn voorgevallen waardoor deze zorgelijke gezondheidstoestand is ontstaan. Volgens de gemachtigde is er sprake van neurologische problemen en worden deze in de ‘artikel 64-procedure’ onderzocht. Nu is gesteld noch is gebleken dat eisers verklaringen over zijn asielmotieven tijdens het nader gehoor zijn beïnvloed door zijn huidige zorgelijke gezondheidssituatie heeft de rechtbank, in overleg met de gemachtigde van eiser en die van verweerder, bepaald dat de behandeling van het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag kan worden voortgezet en dat de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling van de tijdens het nader gehoor door eiser afgelegde verklaringen over zijn asielmotieven door de rechtbank kan worden getoetst. De rechtbank heeft daarbij ter zitting wel richting partijen opgemerkt, en dat herhaalt zij hierbij, dat het zaak is dat bij de nog te verrichten definitieve (ambtshalve) beoordeling in het kader van artikel 64 van de Vw de actuele gezondheidssituatie van eiser wordt betrokken en dat partijen er samen voor moeten zorgen dat die beoordeling ook daadwerkelijk wordt gemaakt aan de hand van actuele medische stukken (en niet aan de hand van oudere stukken die dateren van vóór de plotseling opgetreden verslechtering van eisers gezondheidstoestand).
Geloofwaardigheid problemen met de Sadrist-beweging
Verweerder heeft de door eiser gestelde problemen met de Sadrist-beweging ongeloofwaardig geacht, onder meer omdat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Hiervoor heeft verweerder in het voornemen, gehandhaafd bij het bestreden besluit, meerdere argumenten gegeven. Een deel van die argumenten is door eiser concreet betwist. Hierop gaat de rechtbank in overwegingen 6.2. en 6.3. in. Een ander deel van die argumenten is door eiser niet betwist. Hierop gaat de rechtbank in overweging 6.4. in.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser wisselend en niet eenduidig heeft verklaard over de reden(en) van zijn vertrek uit Irak (punt 2.1.1. in het voornemen). Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
In het nader gehoor heeft eiser op de (inleidende) vraag wat de directe aanleiding vormde voor zijn vertrek uit Irak geantwoord (p. 9 NG): “Ik weet niet wat ik moet zeggen, want ze hebben zelfs mijn huis gebombardeerd. Toen mijn zoon naar Nederland kwam, was hij geraakt. Misschien meer vanwege mijn seksuele gerichtheid, omdat ik bedreigd was door de stam. Dat was de directe reden voor mij.” Dit is geen eenduidig antwoord.
Later in het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij is vertrokken uit Hosseinia en (vervolgens) Irak, omdat hij zich daar opgesloten voelde en er niet meer tegen kon en nadat zijn zoon in Nederland hem had gebeld en tegen hem had gezegd ‘Wat zit je daar te doen alleen, kom naar mij toe’ (p. 17 NG). Pas na doorvragen heeft eiser verklaard dat hij zich opgesloten voelde omdat hij zich onveilig voelde (p. 17 NG). Direct daarna heeft eiser echter ook verklaard dat hij in de zes (á zeven) jaren die hij in Hosseinia woonde geen problemen meer heeft ondervonden van de milities en dat de milities niet wisten waar hij was. Ook met deze verklaringen is eiser niet eenduidig over de reden(en) van zijn vertrek.
Op de tweede dag van het nader gehoor, als de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser ter sprake komt, heeft eiser verklaard dat hij uit Irak is vertrokken omdat hij vanwege zijn homoseksualiteit werd bedreigd door zijn broer. Zijn broer zou tegen hem hebben gezegd dat hij ervoor zou zorgen dat eiser twintig jaar gevangenisstraf zou krijgen (p. 38 NG). Gevraagd naar het moment van deze bedreiging heeft eiser verklaard dat die na zijn vertrek uit Irak heeft plaatsgevonden (p. 38 NG). Met deze verklaringen is eiser wederom niet eenduidig over de reden(en) van zijn vertrek uit Irak.
Naast dat voormelde verklaringen over de reden(en) van vertrek niet eenduidig zijn en gefragmenteerd zijn gegeven, zijn ze ten opzichte van elkaar ook wisselend. Achtereenvolgens heeft eiser namelijk verklaard dat hij is vertrokken uit Irak vanwege het bombardement van zijn huis in 2014, vanwege de bedreiging door zijn stam naar aanleiding van zijn seksuele geaardheid, omdat hij zich opgesloten voelde en van zijn zoon het aanbod had gekregen om naar Nederland te komen, omdat hij zich onveilig voelde door de milities en vanwege de bedreiging door zijn broer naar aanleiding van zijn seksuele geaardheid. Hoewel het mogelijk is dat er meerdere redenen voor vertrek zijn, stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser, desgevraagd, consistent, eenduidig en één keer moet kunnen aangeven welke gebeurtenis of gebeurtenissen de directe aanleiding voor zijn vertrek zijn geweest. Dat heeft eiser dus niet gedaan en dat werpt verweerder hem niet ten onrechte tegen. Eisers stelling dat hij niet wisselend, maar aanvullend heeft verklaard, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk op hele verschillende momenten tijdens het nader gehoor diverse redenen genoemd voor zijn vertrek, en er is geen sprake van dat hij kort na een verklaring nog een aanvulling daarop heeft gegeven.
Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over wie het doelwit was van de Sadrist-beweging (punt 2.1.2 in het voornemen). Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij in 2003, na de val van het oude regime, problemen heeft gekregen met de Sadrist-beweging omdat hij lid was geweest van de Baath-partij (p. 11-13 NG). Hij ontving regelmatig bedreigingen en in 2004 is hij vanwege die bedreigingen verhuisd naar Hosseinia. In 2013 is eiser teruggekeerd naar zijn oude huis in Bagdad en korte tijd later begonnen de problemen met de Sadrist-beweging opnieuw. [persoon A] , de machthebber op dat moment, wilde dat eiser en zijn gezin opnieuw zouden vertrekken. Eiser heeft daarbij verklaard dat hij had vernomen dat [persoon A] op dat moment geen negatieve aandacht voor hem had, maar wel voor zijn zoon, die bekeerd was tot het christendom, en voor zij dochter, die beschuldigd werd van prostitutie (p. 12 NG). Ook heeft eiser verklaard dat het bombardement op zijn huis in 2014 juist te maken had met zijn zoon die tot het christendom was bekeerd (p. 11 NG). Later in het nader gehoor heeft eiser daarentegen verklaard dat hij honderd procent zelf het doelwit was en niet zijn kinderen, omdat hij aansprakelijk werd gesteld voor zijn kinderen en vanwege zijn eerdere lidmaatschap van de Baath-partij (p. 18 NG). Hoewel het mogelijk is dat zowel eiser als zijn kinderen het doelwit waren van de Sadrist-beweging, stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser consistent moet kunnen verklaren over wie nu precies – hij, zijn kinderen of alle drie – het doelwit was van de Sadrist-beweging. Dat heeft eiser dus niet gedaan en die wisselende verklaringen op dit punt werpt verweerder niet ten onrechte aan eiser tegen. De stelling van eiser dat hij niet wisselend maar aanvullend heeft verklaard, volgt de rechtbank ook op dit punt niet. Eisers verklaringen zijn namelijk tegengesteld aan elkaar en niet aanvullend.
Verweerder heeft in het voornemen, gehandhaafd bij het bestreden besluit, verder gemotiveerd gesteld en aan eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen over waarom specifiek hij problemen kreeg met de milities louter zijn gebaseerd op eigen vermoedens en informatie van derden (punt 2.1.3), dat hij algemeen heeft verklaard over waarom specifiek hij problemen kreeg met de milities (punt 2.1.4), dat hij vaag en ongerijmd heeft verklaard over de doelstelling van de milities (punt 2.1.5) en dat hij wisselend heeft verklaard over de politieoproep en de sluiting van zijn zaak (punt 2.1.6). Eiser heeft deze standpunten van verweerder in zijn zienswijze noch in beroep (concreet) bestreden. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder deze standpunten ten onrechte heeft ingenomen.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn problemen met de Sadrist-beweging geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Reeds nu niet aan deze voorwaarde is voldaan, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde problemen met de Sadrist-beweging ongeloofwaardig zijn. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid homoseksuele geaardheid en daaruit voortvloeiende problemen
Verweerder heeft eisers gestelde homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig geacht, onder meer omdat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Hiervoor heeft verweerder in het voornemen, gehandhaafd bij het bestreden besluit, meerdere argumenten gegeven. Een deel van die argumenten is door eiser concreet betwist. Hierop gaat de rechtbank in overwegingen 7.3. en 7.4. in. Een ander deel van die argumenten is door eiser niet betwist. Hierop gaat de rechtbank in overweging 7.5. in.
Bij de beoordeling van eiser verklaringen over zijn gestelde homoseksuele geaardheid heeft verweerder werkinstructie (WI) 2019/17 gehanteerd. Volgens deze werkinstructie is het aan de vreemdeling om zijn gestelde seksuele geaardheid tegenover verweerder aannemelijk te maken, maar moet verweerder er bij zijn beoordeling rekening mee houden dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij lhbti is. De loutere stelling van de vreemdeling dat hij lhbti is, is echter ook niet voldoende. Verweerder maakt een individuele afweging die onderdeel is van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Volgens WI 2019/17 moet verweerder vooral vragen naar de persoonlijke belevingen van de vreemdeling en de persoonlijke betekenis die de gebeurtenissen voor de vreemdeling hebben gehad; verweerder is op zoek naar het authentieke verhaal van de vreemdeling. Voor de beoordeling geven de volgende thema’s richting aan: privéleven, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact of kennis van lhbti groepen, contact met lhbti’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. Uit WI 2019/17 volgt verder dat bij de beoordeling het zwaartepunt ligt bij de antwoorden op vragen over eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser inconsistent, wisselend en summier heeft verklaard over zijn geaardheid in relatie tot zijn huwelijk (punt 3.1.2 in het voornemen). Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij alleen op mannen valt en niet op vrouwen of meisjes, en dat hij dit al sinds zijn schooltijd weet (p. 25-26 NG). Eiser is echter wel getrouwd met een vrouw, met wie hij 23 jaar samen is geweest (p. 26 NG). Hij heeft zijn (inmiddels ex-)vrouw beschreven als aantrekkelijk en heeft verklaard dat het begin van de relatie een mooie en leuke periode was en dat hij tijdens zijn huwelijk voldoende seksuele bevrediging heeft gehad (p. 33-34 NG). Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat deze verklaringen over het langdurige huwelijk met zijn (inmiddels ex-)vrouw niet zonder meer stroken met zijn verklaring dat hij enkel en alleen op mannen valt. Verweerder stelt daarom niet ten onrechte dat van eiser mag worden verwacht dat hij inzichtelijk maakt hoe hij, als gestelde homoseksuele man, zo lang een huwelijk met een vrouw heeft kunnen hebben en daaruit ook voldoening heeft kunnen halen en wat dit met hem deed. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser dit inzicht met zijn verklaringen, die summier en oppervlakkig zijn, in belangrijke mate gericht zijn op praktische overwegingen en er in de kern op neerkomen dat hij tijdens zijn huwelijk is ‘gestopt’ met het vallen op mannen maar dit daarna weer heeft opgepakt (p. 26 NG), niet (voldoende) heeft gegeven. Hij heeft namelijk niet (voldoende) uitgelegd hoe deze situatie persoonlijk voor hem was en welke gedachten en gevoelens hij hierbij had. Met de eerst in beroep namens eiser aangevoerde stelling dat de simpele conclusie is dat eiser dan biseksueel moet zijn, is dit inzicht niet alsnog gegeven. Dit is immers niet wat eiser tijdens het nader gehoor zelf heeft verklaard. Daarin is hem uitdrukkelijk gevraagd of hij alleen op mannen valt of ook op vrouwen en daarop heeft hij geantwoord – en dit daarna meermaals herhaald – dat hij niet op vrouwen valt maar alleen op mannen (p. 25 NG).
Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over het contact met de lhbti-gemeenschap in Nederland (punt 3.1.4 in het voornemen). In reactie op vragen naar ervaringen met mannen in Nederland heeft eiser verklaard dat hij bevriend is geraakt met een Iraanse man in de opvang van wie hij niet weet of hij homoseksueel is (p. 38 NG) en dat hij een Egyptische homoseksuele man heeft ontmoet, maar dat die alleen Nederlands spreekt (p. 40 NG). Eiser heeft verder verklaard dat hij is uitgenodigd om een lhbti-bijeenkomst bij te wonen, maar dat hij pas ingaat op dit soort uitnodigingen als hij de Nederlandse taal goed beheerst. Hij wist niet welke organisatie de bijeenkomst organiseerde, enkel dat deze in Den Haag zit. Op de vraag hoe eiser zijn toekomst in Nederland ziet, voor wat betreft het uiten van zijn seksuele geaardheid, heeft eiser als volgt verklaard (p. 40 NG): “In Irak zat ik opgesloten, thuis. Hier in Nederland gaf Nederland mij alles. Ik kon vrij bewegen, in contact komen met anderen. Ik ben hier vrij. Hier zijn veel culturen ook. Het enige obstakel dat ik ken, is de taal. Ik hoop dat ik de taal snel kan leren, zodat ik me kan inburgeren.’ Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser met deze summiere en oppervlakkige verklaringen weinig blijk geeft van daadwerkelijke interesse in de situatie voor lhbti-ers in Nederland en dat daaruit geen substantiële betrokkenheid blijkt bij de lhbti-gemeenschap in Nederland. Dit draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid. In de in de zienwijze aangevoerde stelling dat in de opvang 95% van de mensen moslim en anti-homo is en dat hij daar dus geen kennis kan maken met de in Nederland gebruikelijke acceptatie van homoseksuelen, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien een ander standpunt in te nemen, omdat Nederland meer is dan alleen de asielopvang waar eiser verblijft en eiser zelf heeft verklaard dat hij is uitgenodigd om een bijeenkomst van een lhbti-organisatie bij te wonen. Ter zitting is namens eiser nog gesteld dat er rondom deze organisaties een hele industrie is ontstaan om vreemdelingen met een lhbti-asielmotief te voorzien van de juiste informatie om te voldoen aan de eisen van verweerder en dat ‘echte lhbti-ers’ juist niet naar dit soort organisaties gaan. Deze stelling is echter niet onderbouwd en wordt reeds daarom niet gevolgd.
Verweerder heeft in het voornemen, gehandhaafd bij het bestreden besluit, verder gemotiveerd gesteld en aan eiser tegengeworpen dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn relatie met [persoon B] (punt 3.1.1.) en dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over de situatie van homoseksuelen in Irak (punt 3.1.3). Eiser heeft deze standpunten van verweerder in zijn zienswijze noch in beroep (concreet) bestreden. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder deze standpunten ten onrechte heeft ingenomen.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksuele geaardheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Reeds nu niet aan deze voorwaarde is voldaan, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom asielgronden
8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voordoet. Verweerder heeft daarom terecht toepassing gegeven aan artikel 31, eerste lid, van de Vw, waarin staat dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond indien er zich geen asielgrond voordoet.
Kennelijke ongegrondheid
Verweerder heeft daarnaast besloten een ‘kennelijkheidsgrond’ toe te passen, te weten artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Daarin is bepaald dat verweerder een asielaanvraag kan afwijzen als kennelijk ongegrond als de vreemdeling zijn asielwens zonder gegronde reden niet zo snel als mogelijk kenbaar heeft gemaakt.
Eiser heeft zich op 5 juli 2022 voor het eerst gemeld bij verweerder en heeft het M35-H formulier ingediend op 7 juli 2022. Tussen partijen is in geschil wanneer eiser in Nederland is aangekomen: op (of omstreeks) 18 juni 2022, zoals verweerder stelt, of op 4 juli 2022, zoals eiser stelt. Eiser heeft zich gedurende de procedure wisselend uitgelaten over zijn aankomstdatum.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder er terecht van is uitgegaan dat eiser op of omstreeks 18 juni 2022 in Nederland is aangekomen. Hiertoe geldt het volgende. Eiser heeft tijdens het Dublingehoor op 18 juli 2022 verklaard dat hij op 17 juni 2022 in Duitsland is aangekomen en dat hij de dag erna – wat dus 18 juni 2022 is – naar Nederland is gegaan (p. 8 Dublingehoor). Tijdens het Dublingehoor heeft hij evenwel ook verklaard dat hij op 1 juli 2022 in Nederland is aangekomen. Tijdens het aanmeldgehoor op 7 februari 2025 is eiser bevraagd over deze onduidelijkheid en toen heeft hij verklaard dat 18 juni 2022 de juiste datum is en dat hij dit weet omdat hij dit aan zijn zoon heeft gevraagd (p. 12 aanmeldgehoor). Vervolgens is in het nader gehoor aan eiser gevraagd of het klopt dat hij op 18 juni 2022 Nederland is ingereisd. Deze vraag heeft hij bevestigend beantwoord (p. 42 NG). Eiser heeft deze tijdens het aanmeldgehoor en nader gehoor afgelegde verklaringen niet in de ‘correcties en aanvullingen’ gecorrigeerd. Verweerder heeft daarom terecht aan deze verklaringen doorslaggevende betekenis gehecht. Bovendien geldt dat de aankomstdatum van 18 juni 2022 veel beter past bij eisers verklaringen dan de, in beroep door eiser gestelde, aankomstdatum van 4 juli 2022. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij bij aankomst in Nederland moe was van de reis en eerst een tijd met zijn zoon in Nederland (en zijn uit Oostenrijk overgekomen dochter) wilde doorbrengen (p. 42 NG).
Nu eiser zich pas op 5 juli 2022, aldus ruim twee weken na zijn aankomst in Nederland op 18 juni 2022, bij verweerder heeft gemeld, stelt verweerder terecht dat eiser zijn asielwens niet zo snel als mogelijk kenbaar heeft gemaakt, in de zin van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw (in verbinding met paragraaf C2/7.8 van de Vc). Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat er voor eiser geen gegronde reden bestond om zijn asielwens niet zo spoedig mogelijk kenbaar te maken. Verweerder heeft in dit verband terecht gewezen op eisers verklaringen tijdens het nader gehoor, waaruit volgt dat zijn zoon tegen hem heeft gezegd dat hij zich direct moet melden, maar dat hij ervoor heeft gekozen om dit niet te doen omdat hij eerst tijd met zijn zoon wilde doorbrengen (p. 42 NG). De gevolgen van deze keuze komen voor eisers rekening en risico.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. De stelling van eiser dat deze ‘kennelijkheidsgrond’ in zijn geval niet opgaat omdat die alleen geldt voor situaties waarin een vreemdeling pas een asielaanvraag indient nadat hij is staande gehouden of in bewaring is gesteld, vindt geen steun in de Procedurerichtlijn, de Vw of enige andere rechtsregel en volgt de rechtbank dan ook niet. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.