RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1744
V-nummer: [V-nummer 1], en
[eiser] , eiser
V-nummer [V-nummer 2]
tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. B.W.C. van Geet),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. Banwari).
Procesverloop
Eisers hebben op 18 september 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een
besluit op een voor eiseres ingediende aanvraag van 22 januari 2024 tot verlening van een
machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij eiser (referent). Dit
beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer NL24.36553.
Bij uitspraak van 4 december 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van
18 september 2024 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een
termijn van acht weken een besluit op de aanvraag te nemen, of binnen twintig weken indien
binnen die termijn van acht weken nader onderzoek wordt aangeboden
(ECLI:NL:RBDHA:2024:20378).
Op 17 april 2025 hebben eisers opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van
een besluit op de hierboven genoemde aanvraag. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer NL25.18344.
Bij uitspraak van 10 oktober 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats dit beroep opnieuw gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van twee weken een besluit op de aanvraag te nemen (ECLI:NL:RBDHA:2025:18688).
Op 9 januari 2026 hebben eisers opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Verweerder heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.
3. In haar uitspraak van 10 oktober 2025, bekendgemaakt op diezelfde dag, heeft de rechtbank het tweede beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 200 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.
4. Eisers hebben het derde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag ingesteld op 9 januari 2026. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvraag. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. De rechtbank heeft in haar eerste en tweede uitspraak op de beroepen al een redelijke nadere beslistermijn gesteld. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
6. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 200 aan eisers verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt in dat verband op dat uit de eerdere aan verweerder opgelegde dwangsommen vooralsnog een onvoldoende prikkel is gebleken, nu een besluit op de aanvraag is uitgebleven.
7. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 11 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.