RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46257
geboren op [datum],
mede namens de minderjarige kinderen [naam 2] en [naam 3],
V-nummers: [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3],
allen van Ugandese nationaliteit,
(gemachtigde: mr. T. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Wel is aan eiseres uitstel van vertrek verleend totdat op de ambtshalve beoordeling in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 is beslist. Dit uitstel van vertrek is voor maximaal zes maanden, dus uiterlijk tot 26 februari 2026.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het beroep van de partner van eiseres, op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij Ugandese nationaliteit heeft en tot de Banyankole bevolkingsgroep behoort. Verder stelt eiseres dat zij met de tradities en gebruiken van de Pokot bevolkingsgroep is opgegroeid in Uganda. Vanaf haar achtste levensjaar is drie keer geprobeerd om haar te besnijden. Eiseres is binnen Uganda meerdere keren gevlucht voor haar familie vanwege haar vrees voor vrouwenbesnijdenis. Eiseres vreest bij terugkeer voor haar familie. Daarnaast vreest eiseres voor de besnijdenis van haar in Nederland geboren dochter.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
2. Eiseres is opgegroeid met de tradities en gebruiken van de Pokot stam en zij heeft problemen ondervonden vanwege vrouwenbesnijdenis.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Volgens de minister is het tweede asielmotief niet geloofwaardig, omdat eiseres haar verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen en de minister van mening is dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister zijn de verklaringen van eiseres over dat zij is opgegroeid met de tradities van de Pokot-stam in samenhang bezien onlogisch. In dit verband heeft de minister er tevens op gewezen dat de verklaringen van eiseres en haar gestelde vrees niet stroken met het visumdossier van eiseres in Duitsland. Volgens de minister voldoet eiseres daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw 2000. Dat eiseres afkomstig is uit Uganda en het feit dat besnijdenis daar voor komt, is volgens de minister onvoldoende om eiseres aan te merken als vluchteling en leidt er evenmin toe dat eiseres bij terugkeer te vrezen heeft voor ernstige schade.
Werkinstructie (WI) 2024/6
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het recht. Door enkel te toetsen aan artikel 31, lid 6, onder c van de Vw 2000 en geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling toe te passen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het Unierecht, het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025. Dat betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van het juiste toetsingskader. Zelfs indien zou moeten worden uitgegaan van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, heeft de minister het asielrelaas van eiseres ten onrechte niet geloofwaardig geacht.
De minister voert aan dat hij het niet eens is met de hiervoor onder 5. genoemde uitspraak van de meervoudige kamer en dat hoger beroep is ingesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de minister verwezen naar het verweerschrift en het hoger beroepschrift dat in die zaak is ingediend. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat de werkwijze zoals is neergelegd in WI 2024/6 niet wezenlijk afwijkt van de werkwijze zoals die onder WI 2014/10 werd gehanteerd. Ook onder WI 2014/10 moest immers allereerst beoordeeld worden of er sprake was van relevante elementen die met objectieve bewijsstukken waren onderbouwd. De minister wijst in dit verband op jurisprudentie van andere rechtbanken, waaruit blijkt dat die rechtbanken de werkwijze, zoals neergelegd in WI 2024/6, accorderen. Daarin is geoordeeld dat niet is gebleken dat de werkwijze strijdig is met wetgeving of de rechtspraak van het EHRM en het Hof van Justitie. Geconcludeerd wordt dan ook dat terecht en op juiste wijze een geloofwaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden conform WI 2024/6.
De rechtbank stelt vast dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats op 8 augustus 2025 twee uitspraken heeft gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Omdat de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiseres aan de hand van WI 2024/6 heeft uitgevoerd, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en het beroep gegrond. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. Daarbij is ook van belang hoe WI 2024/6 in individuele asielbesluiten haar weerslag vindt. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder.
Heeft de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen voldoende rekening gehouden met de PTSS en de zwangerschap?
6. Eiseres voert aan dat de minister haar op verschillende onderdelen van haar asielrelaas heeft tegengeworpen dat zij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. Eiseres stelt dat zij met het overleggen van een rapportage van het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht van 26 juni 2025 heeft onderbouwd dat sprake is van een vastgestelde PTSS en dat hiermee is onderbouwd dat zij niet altijd coherent en consistent kan verklaren. Volgens eiseres is het onjuist om eventuele inconsistenties in haar verklaringen zonder meer aan te merken als niet geloofwaardig. Ook het feit dat eiseres 20 weken zwanger was ten tijde van de gehoren is van invloed geweest op haar geheugen en helderheid.
De minister stelt dat niet is gebleken dat eiseres tijdens de gehoren niet in staat was om coherent en consistent te verklaren.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat uit het medisch advies van Medifirst van 18 augustus 2023 niet blijkt dat eiseres niet in staat moet worden geacht coherent en consistent te verklaren. Dat eiseres op dat moment 12 weken zwanger was, er grote kans was op emoties bij langdurig en intensief terughalen van het fors pijnlijke verleden en het feit dat eiseres grote moeite zou kunnen hebben om over gebeurtenissen te praten, stond er volgens Medifirst kennelijk niet aan in de weg om te worden gehoord. Ook uit de in beroep overgelegde rapportage van Veldzicht van 26 juni 2025 blijkt niet dat eiseres ten tijde van de gehoren niet in staat is geweest om coherent en consistent te verklaren. Dat sprake is van een vastgestelde PTSS betekent nog niet dat eiseres inzichtelijk heeft gemaakt dat haar PTSS-klachten van invloed zijn geweest op haar vermogen om te verklaren. Ook uit de verslaglegging van de met eiseres gevoerde gehoren valt niet af te leiden dat de zwangerschap van eiseres dan wel de PTSS-klachten hierop van invloed zijn geweest. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister het tweede asielmotief niet geloofwaardig kunnen vinden?
7. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat de verklaringen van eiseres dat zij zou zijn opgegroeid met de tradities en gebruiken van de Pokot stam in samenhang bezien onlogisch zijn. In dit verband heeft de minister er op kunnen wijzen het dat niet logisch is dat eiseres een Banyankole naam heeft gekregen, maar geen enkel woord in het Pökoot kan benoemen, terwijl eiseres stelt dat haar vader de tradities en gebruiken van de Pokot op eiseres wilde overbrengen. Dit geldt temeer omdat uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij in haar dorp omgeven zou zijn geweest door de Pokot en hun tradities. Dat bij die tradities taal geen centrale rol zou spelen, zoals in beroep is gesteld, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Onder deze omstandigheden heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat eiseres onlogisch heeft verklaard over haar vader. Verder heeft de minister terecht gesteld dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de stamafkomst van haar moeder. Ook heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat het ongerijmd en onlogisch is dat eiseres met het meisje uit haar dorp een vriendschap sloot en haar meteen meeneemt naar haar huis. In dit verband heeft de minister erop kunnen wijzen dat het gegeven dat eiseres dit risico zou nemen niet strookt met de verklaringen van eiseres dat zij jarenlang op de vlucht is geweest voor haar familie en dorpsgenoten uit Kakinga vanwege haar vrees voor haar familie en vrouwenbesnijdenis. Dit geldt ook voor de verklaring van eiseres dat zij meermaals is teruggekeerd naar Kampala en het risico dat zij daarmee zou hebben genomen omdat zij stelt te zijn gevonden door vier personen die haar wilden besnijden en waar haar huis in brand zou zijn gestoken. De minister heeft dan ook het standpunt kunnen innemen dat dit alles afbreuk doet aan de aannemelijkheid van de verklaringen van eiseres. Dat zij zou zijn teruggegaan naar Kampala omdat zij daar werk kon vinden en dat zij ook iemand nodig had om op haar dochter te passen, heeft de minister niet hoeven overtuigen. Ook op een plek verder weg, had eiseres werk kunnen proberen te vinden. De rechtbank overweegt ten slotte nog dat de minister ook de verklaring van eiseres dat zij kort voor haar vertrek uit Uganda haar familie op de hoogte zou hebben gebracht van het feit dat zij nog leefde, ongerijmd heeft kunnen vinden. Gelet op het voorgaande -in samenhang bezien- en het feit dat de verklaringen van eiseres over de verkrijging van haar visum niet in overeenstemming zijn met het visumdossier, heeft de minister niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat de verklaringen van eiseres dat zij is opgegroeid met de tradities en gebruiken van de Pokot stam en problemen heeft ondervonden vanwege vrouwenbesnijdenis, niet geloofwaardig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor vrouwenbesnijdenis of pulling van eiseres en haar dochter
8. Eiseres stelt dat zij bij terugkeer zowel voor haarzelf als voor haar dochter te vrezen heeft voor vrouwenbesnijdenis dan wel pulling (genitale verlenging) en dat zij zichzelf en haar dochter daar bij terugkeer niet tegen kan beschermen.
De rechtbank is -mede gelet op wat hiervoor is overwogen over het tweede asielmotief- van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dan wel haar dochter bij terugkeer een te vrezen hebben voor vrouwenbesnijdenis of pulling. In dit verband heeft de minister er terecht op gewezen dat vrouwenbesnijdenis in enge zin weinig voorkomt in Uganda en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres en haar dochter zich niet aan dit ritueel zouden kunnen onttrekken. Hierbij heeft de minister van belang kunnen achten dat eiseres en haar echtgenoot tegen vrouwenbesnijdenis en pulling zijn. Dat de dochter van eiseres een risico zou lopen op pulling, heeft de minister niet hoeven volgen. De minister heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat eiseres en haar partner een vrije keuze hebben naar welke school zij hun dochter sturen en dat uit algemene informatie blijkt dat pulling op scholen juist onder druk van ouders plaatsvindt. Omdat niet is gebleken dat genitale verlenging structureel en wijdverspreid op alle scholen plaatsvindt in Uganda, eiseres en haar partner tegen genitale verlenging zijn en haar partner geen contact meer heeft met zijn familieleden, heeft de minister terecht geoordeeld dat niet wordt ingezien dat de dochter van eiseres te vrezen zou hebben voor genitale verlenging bij terugkeer naar Uganda. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2. is het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 augustus 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.