RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46264
geboren op [datum] ,
van Ugandese nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. T. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Wel is aan eiser uitstel van vertrek verleend gedurende de periode dat aan zijn partner voorlopig uitstel van vertrek is verleend vanwege medische redenen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op 12 januari 2026 gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het beroep van eisers partner en kinderen, op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Uganda actief was voor de politieke partij FDC. Vanuit deze betrokkenheid heeft eiser zich ingezet voor het P10 netwerk en heeft hij een applicatie ontwikkeld om stemfraude tegen te gaan. Eiser heeft verklaard dat hij in maart 2017 anderhalve week ontvoerd is geweest in opdracht van de autoriteiten. Zij beschuldigen eiser ervan te rekruteren voor de P10-rebellen. Eiser heeft verder verklaard dat hij vervolgens is vrijgelaten en naar [naam 2] , een politieagent, is gebracht. [naam 3] heeft aan eiser gevraagd of hij voor de overheid wilde spioneren bij de FDC en P10-beweging. Eiser heeft ingestemd met dit voorstel en hij is vervolgens ondergedoken. Eiser heeft Uganda op 30 april 2017 met een visum op legale wijze verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister uit de volgende twee asielmotieven:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
2. De activiteiten van eiser voor de FDC en P10 beweging en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, omdat eiser dat asielmotief heeft aangetoond met documenten. Verder gelooft de minister de activiteiten die eiser voor de FDC en de P10-beweging heeft verricht (te weten: dat eiser mensen mobiliseerde, hij een applicatie en een database heeft ontwikkeld en dat hij twee Opencon-evenementen heeft georganiseerd). De minister gelooft echter niet de verklaringen van eiser over de problemen die hij als gevolg van die activiteiten zou hebben ondervonden. De minister heeft er in dit verband op gewezen dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit motief volledig onderbouwen en dat de verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister heeft eiser onlogisch verklaard over de vrijlating na zijn ontvoering en het verzoek om te spioneren. Ook rijmen deze verklaringen niet met de verklaring van eiser dat hij Uganda legaal heeft kunnen uitreizen. Verder stelt de minister dat de brief van [naam 4] van geringe waarde is en dat het op zijn minst bevreemding wekt dat het asielrelaas dat eiser in Duitsland naar voren heeft gebracht op essentiële punten verschilt van het asielrelaas dat eiser in Nederland naar voren heeft gebracht. Volgens de minister kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. De minister heeft verder overwogen dat personen die politieke activiteiten verrichten niet onder een risicoprofiel vallen en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Uganda vanwege zijn politieke overtuiging of zijn activiteiten voor de FDC en P10-beweging te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Omdat eiser verklaringen heeft afgelegd die worden beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig, concludeert de minister dat de asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond.
Werkinstructie (WI) 2024/6
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het recht. Door enkel te toetsen aan artikel 31, lid 6, onder c van de Vw 2000 en geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling toe te passen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het Unierecht, het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025. Dat betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van het juiste toetsingskader. Zelfs indien zou moeten worden uitgegaan van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, heeft de minister het asielrelaas van eiser ten onrechte niet geloofwaardig geacht.
De minister voert aan dat hij het niet eens is met de hiervoor onder 5. genoemde uitspraak van de meervoudige kamer en dat hoger beroep is ingesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de minister verwezen naar het verweerschrift en het hoger beroepschrift dat in die zaak is ingediend. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat de werkwijze zoals is neergelegd in WI 2024/6 niet wezenlijk afwijkt van de werkwijze zoals die onder WI 2014/10 werd gehanteerd. Ook onder WI 2014/10 moest immers allereerst beoordeeld worden of er sprake was van relevante elementen die met objectieve bewijsstukken waren onderbouwd. De minister wijst in dit verband op jurisprudentie van andere rechtbanken, waaruit blijkt dat die rechtbanken de werkwijze, zoals neergelegd in WI 2024/6, accorderen. Daarin is geoordeeld dat niet is gebleken dat de werkwijze strijdig is met wetgeving of de rechtspraak van het EHRM en het Hof van Justitie. Geconcludeerd wordt dan ook dat terecht en op juiste wijze een geloofwaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden conform WI 2024/6.
De rechtbank stelt vast dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats op 8 augustus 2025 twee uitspraken heeft gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Omdat de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiser aan de hand van WI 2024/6 heeft uitgevoerd, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en het beroep gegrond. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. Daarbij is ook van belang hoe WI 2024/6 in individuele asielbesluiten haar weerslag vindt. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder.
Heeft de minister de door eiser in Uganda ondervonden problemen niet geloofwaardig kunnen vinden?
6. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat de verklaringen van eiser over zijn vrijlating -na de gestelde ontvoering van anderhalve week- en het verzoek om voor de autoriteiten te spioneren onlogisch zijn. In dit verband heeft de minister niet ten onrechte gesteld niet valt in te zien waarom eiser, op het moment dat hij al is ontvoerd door personen die voor de autoriteiten werken, eerst door hen wordt vrijgelaten en niet al in gevangenschap wordt gevraagd om te spioneren. Verder heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat dit alles niet rijmt met het feit dat eiser legaal op eigen paspoort Uganda is uitgereisd en daarbij is gecontroleerd. De minister heeft er verder op kunnen wijzen dat de verklaringen van eiser, zoals door hem in Duitsland in de asielprocedure zijn afgelegd, grotendeels en op essentiële punten afwijken van wat eiser in de Nederlandse asielprocedure heeft verklaard. Gelet op die omstandigheden heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat de gestelde problemen die eiser in Uganda zou hebben ondervonden vanwege zijn lidmaatschap en werkzaamheden voor de FDC en P10-beweging niet geloofwaardig zijn.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom eiser niet als vluchteling wordt aangemerkt?
7. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
Niet in geschil is dat eiser al in Uganda lid was van de politieke partij FDC en dat dit een oppositiepartij is. Verder gelooft de minister de activiteiten die eiser voor de FDC en de P10-beweging heeft verricht (te weten: dat eiser mensen mobiliseerde, hij een applicatie en een database heeft ontwikkeld en dat hij twee Opencon evenementen heeft georganiseerd). Hoewel de minister erkent dat leden van de oppositie in Uganda te maken hebben met intimidatie en incidenten, vallen personen van de oppositie niet onder een risicoprofiel en is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft. Volgens de minister heeft eiser dit niet aannemelijk gemaakt. In dit verband heeft de minister er onder meer op gewezen dat de gestelde problemen voortvloeiende uit de activiteiten die eiser heeft verricht voor de FDC en de P10-beweging niet geloofwaardig zijn. Ook heeft de minister in het bestreden besluit, en het daarin ingelast voornemen, overwogen dat uit de verklaringen van eiser volgt dat eiser in Nederland pas na de afwijzing van zijn asielaanvraag actief is geworden.
In beroep heeft eiser algemene informatie overgelegd over de situatie van de oppositie in Uganda en hoe de Ugandese autoriteiten omgaan met kritiek op het regime. Daarnaast heeft eiser informatie overgelegd die ziet op hem persoonlijk en de activiteiten die hij heeft verricht voor de app U-vote die gebruikt is in aanloop naar de meest recente verkiezingen in Uganda. Ook heeft eiser gewezen op de filmpjes en foto’s waarop hij te zien is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister door deze stukken afzonderlijk te beoordelen in plaats van in samenhang te bezien, onvoldoende gemotiveerd dat en waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, vanwege zijn betrokkenheid bij de oppositie, in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Ugandese autoriteiten. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking het filmpje waarop de heer [naam 5] is te zien die wordt aangevallen door een persoon waarvan wordt gesteld dat hij een medewerker van de Ugandese ambassade is en welke beelden door eiser zijn opgenomen. De rechtbank is verder van oordeel dat niet onvermeld mag blijven dat de Nederlandse overheid, in de vorm van de Dienst Terugkeer en Vertrek, in onderhavige zaak de persoonsgegevens van eiser, inclusief een foto, heeft gedeeld met de Ugandese autoriteiten ten einde een laissez-passer voor hem en zijn gezin te krijgen. Dit terwijl een geplande presentatie in persoon met dit doel door de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 13 november 2025 nadrukkelijk was verboden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze en alle andere omstandigheden niet dan wel onvoldoende betrokken bij zijn oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft weten te maken dat hij in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Ugandese autoriteiten. De stelling van de minister dat eiser niet als prominent lid van de FDC dan wel NUP kan worden gezien, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Het bestreden besluit komt ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.
8. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2. en 7.2. is het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 augustus 2025;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen met in achtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.