ECLI:NL:RBDHA:2026:5297

ECLI:NL:RBDHA:2026:5297

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer NL26.2034 en NL26.2036
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

BNT, regulier, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.2034 en NL26.2036

[eiseres 2] , eiseres, hierna: eisers

V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] ,

(gemachtigde: mr. H. Postma),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor henzelf en hun minderjarige (klein)kinderen in het kader van nareis voor verblijf bij [referent] (referent).

Bij uitspraak van 9 januari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen het beroep gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om vóór 29 september 2025 alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken (ECLI:NL:RBDHA:2025:220).

Op 12 januari 2026 hebben eisers opnieuw, mede namens de minderjarige (klein)kinderen, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvragen. Deze rechtbank behandelt beide beroepen gevoegd.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.

2. In haar uitspraak van 9 januari 2025, bekendgemaakt op diezelfde dag, heeft de rechtbank de eerste beroepen van eisers tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om vóór 29 september 2025 alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500.

2. Eisers hebben afzonderlijk het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvragen ingesteld op 12 januari 2026. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvragen. Dit betekent dat de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond zijn.

3. Verweerder hanteert per 15 januari 2024 het ‘first-in first-out’(fifo)-principe om de verwerking van nareisaanvragen efficiënter, eerlijker en voorspelbaarder te maken. De aanvraag van eisers wordt volgens dit principe naar verwachting in juli 2025 in behandeling genomen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verweerder de aanvragen sindsdien in behandeling heeft genomen.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. De rechtbank heeft in haar eerste uitspraak op de beroepen al een redelijke nadere beslistermijn gesteld. Daar komt bij dat sinds het vollopen van de rechterlijke dwangsom wederom geruime tijd is verstreken en verweerder nog geen besluit op de aanvragen heeft genomen. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen te nemen.

7. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 200 aan eisers verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt in dat verband op dat uit de eerder aan verweerder opgelegde dwangsom vooralsnog een onvoldoende prikkel is gebleken, nu een besluit op de aanvragen is uitgebleven.

8. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 400 moet vergoeden en verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

 draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvragen bekend te maken;

 bepaalt dat verweerder wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen, aan eisers een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);

 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 400 (vierhonderd euro) moet vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. S.D.C.J. Verheezen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?