Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/197741-25
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 6 oktober 2025, 8 december 2025 (steeds pro forma) en 2 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. W.B.O. van Soest naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging op de terechtzitting van 2 maart 2026 - ten laste gelegd dat:
1.
Primair
hij, op of omstreeks 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven
- naar Den Haag en/of [bedrijf] zijn/is gereden en/of- een wapen heeft getrokken en/of- dit wapen heeft gericht op het hoofd althans het lichaam van die [slachtoffer] en/of(daarbij) meerdere malen de trekker heeft overgehaald en/of- [slachtoffer] (meerdere malen) in het been heeft geschoten,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond en/of (gecompliceerde) beenbreuk (met als gevolg een of meer operatie(s) waarbij onder andere een schroef/plaatfixatie noodzakelijk was) heeft toegebracht aan [slachtoffer] , door meerdere malen althans eenmaal in de richting van genoemde [slachtoffer] te schieten, waardoor/waarbij [slachtoffer] in het been is geraakt;
2.
hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, te weten (een poging tot) het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven (artikel 289 Wetboek van Strafrecht) en/of het opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar mishandelen (artikel 302 en 303 Wetboek van Strafrecht) van [naam 1] ,
opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 impliciet primair tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en het onder 2 impliciet primair tenlastegelegde.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500- 2025029418, onderzoek 30FORTUNA, van de Districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 618).
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 28 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 42-44):
Op 28 januari 2025 ben ik om 09:00 uur naar mijn werk gegaan. Ik ben werkzaam als automonteur bij de [bedrijf] te 's-Gravenhage. Ik open de zaak altijd, omdat de baas later komt. Mij baas is [naam 1] .
Omstreeks 10:00 uur was ik bezig met een auto, met mijn rug richting de ingang van de garage. Toen hoorde ik iemand binnen komen. Ik zag dat het een man was die binnen was gekomen. Ik zag dat de man richting het kantoor van mijn baas liep.
Ik zei "hé vriend, hè vriend". Ik hoorde dat hij zijn excuus maakte. Ik hoorde hem zeggen "sorry bro" en ik zag dat hij de garage uitliep.
Diezelfde dag, ongeveer een uur later stond dezelfde man opeens achter me. Ik was in een gebogen positie aan het werk. Ik merkte dat de man achter mij stond doordat ik gereedschap pakte en een schoen zag. Toen ik merkte dat de man achter mij stond, draaide ik mij om. Ik zag dat de man een mat zwart pistool in zijn rechterhand had.
Ik zag en hoorde dat de man het pistool doorlaadde. Daarna zag ik dat de man het pistool op mij richtte. Ik hoorde en zag dat de man kogels afvuurde. Ik denk dat dit ongeveer 3 schoten waren.
Ik tilde mijn benen 1 voor 1 op om de kogels te ontwijken. Tijdens het schieten zag ik dat het pistool van de man vast liep. Op dat moment rende ik richting de uitgang van de garage om te ontkomen aan de man. Ik was bij de uitgang van de garage. Ik ben hier gevallen. Het pistool liep vast terwijl de man meerdere keren de trekker over probeerde te halen. Ik zag dat de man de trekker over haalde. Ik zag dat het pistool was gericht op mijn bovenlichaam.
Ik heb het volgende letsel:
- Rechteronderbeen gebroken;
- Rechterknie gebroken;
- Ik moet geopereerd worden.
Ik heb 1 schotwond met een ingang en uitgang in mijn rechterbeen.
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 10 september 2025, voor zover inhoudende (p. 481-485):
A: Ik moest de meneer in de benen schieten en ik hoorde achteraf dat ik de verkeerde persoon had geraakt. De avond ervoor moest het eigenlijk gebeuren. Er zou maar 1 persoon werken, avond ervoor ging ik erlangs, ik liep de wijk in en toen terug naar huis gegaan.
V: De avond ervoor, waarom toen niet?
A: Ik wilde het eigenlijk niet doen, ik ben die persoon niet tegengekomen. De dag erna werd er meer druk gezet dat ik het moest doen, toen was het in de ochtend.
V: De opdracht, hoe wist je wie je moest hebben, een foto/bericht?
A: Ik had een wazige foto en een omschrijving. Maar het slachtoffer leek wel op de foto.
Ik liep de garage in en liep hem eerst voorbij. Ik liep weer weg. De tweede keer kwam ik terug en zag ik niemand. Tussen de tweede en derde keer liep ik rondjes. Toen was ik terug en moest ik wel. Toen was het incident.
V: Dus als ik het goed begrijp had je dus wel een externe motivatie, je kon het niet-niet doen?
A: Ja
V: Terug naar het schieten zelf, heb je zelf nog in je hoofd hoe het ging, ik moest op zijn benen schieten hoe ging dat?
A: Ik moest op zijn benen schieten, maar het wapen werkte niet, want hij was niet doorgeladen. Dit was allemaal binnen. Toen buiten lag hij op de grond. Ik had buiten de garage twee keer geschoten. Toen had ik niet het idee dat ik hem geraakt had.Ik heb (de rechtbank begrijpt: in totaal) 4 of 5 keer afgedrukt.
V: Hoe heb je het dan duidelijker gekregen?
A: Het eerste moment was het de wazige foto. De 1e dag was het een beschrijving van een man met een baard
V: En de 2e dag?
A: Niks veranderd. Turkse man met baard.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 maart 2026, voor zover inhoudende:
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik bij de politie heb bekend dat ik op het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , heb geschoten. Ik blijf bij die verklaring. Het klopt dat ik de persoon ben op de camerabeelden. Zowel op 27 januari 2025 als op 28 januari 2025 heeft de heer [naam 2] mij opgehaald in Almere in zijn Seat en zijn we samen naar Den Haag en terug gereden. [naam 2] was steeds de bestuurder en ik de bijrijder. Hij heeft steeds geparkeerd in de buurt van de [bedrijf] . Op 27 januari 2025 heb ik ’s avonds door de buurt van en langs de garage gelopen. De volgende dag zijn we dus teruggegaan. Ik denk dat ik weet wanneer ik het slachtoffer heb geraakt. Dat was binnen. Daardoor is hij ten val gekomen. Daarna heb ik hem niet meer geraakt. Ook buiten niet meer. Het klopt dat ik buiten nog heb afgedrukt. Ik wist niet zeker of ik hem binnen had geraakt en daarom heb ik buiten nog een keer geschoten. Het klopt dat dit de eerste keer is geweest dat ik een vuurwapen in mijn handen had en op iemand heb geschoten. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat ik het moest doen. Dat klopt, als een waarschuwing. Ik had van iemand de opdracht gekregen het slachtoffer in zijn benen schieten. U, oudste rechter, houdt mij voor dat ik op het moment van schieten een telefoon in mijn linkerhand had en dus met één hand schoot. Dat klopt. Ik moest het filmen. Ik had het wapen de dag daarvoor gekregen. Ik ben een ongeoefend schutter, want ik had nog nooit eerder met een wapen geschoten.
4. De eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden van het
bewezenverklaarde, gedaan op de terechtzitting van 2 maart 2026:
Bestandsnaam [adres] binnen -3
de verdachte komt de garage inlopen. De verdachte loopt eerst naar binnen en dan weer terug naar buiten.
de verdachte loopt naar binnen en heeft een vuurwapen in zijn rechterhand. Hij loopt op het slachtoffer af en richt het vuurwapen eerst wat lager op het lichaam van het slachtoffer. Daarna richt de verdachte het vuurwapen hoger, op het midden van het lichaam. Vervolgens gaan de verdachte en het slachtoffer beiden naar buiten. Het slachtoffer struikelt bij de garagedeur op de stoep. De verdachte komt van rechts aanlopen, in de richting van het slachtoffer. Je ziet het slachtoffer bewegen, liggend op de grond.
Bestandsnaam [adres] buiten
de verdachte loopt de garage in en loopt vervolgens weer naar buiten.
de verdachte loopt de garage weer in.
de verdachte heeft een vuurwapen in zijn rechterhand, gericht op de ingang van de garage. De verdachte en, vlak daarna, het slachtoffer stormen naar buiten. De verdachte heeft in zijn linkerhand een telefoon. De verdachte richt het vuurwapen op het onderlichaam van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer bewegend op de grond ligt. De verdachte loopt naar voren en nadert het slachtoffer tot op een afstand van ongeveer één stoeptegel. Het slachtoffer komt wat omhoog met zijn bovenlichaam. De verdachte richt wat hoger dan eerder. Het slachtoffer beweegt zijn lichaam weer wat naar beneden. De verdachte staat dichtbij het slachtoffer en richt het vuurwapen op zijn borst. De verdachte richt het vuurwapen op het bovenlichaam van het slachtoffer.
5. Het proces-verbaal van bevindingen van de Rijksrecherche, opgemaakt op 15 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 2-3):
Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat er op zondag 26 januari om 21:53u onder gebruikmaking van de username [username 1] in het Handelsregister KVK een raadpleeging plaatsvond van ‘ [bedrijf] ’ met als vestiging adres [adres] . De genoemde username wordt gebruikt door meerdere ambtenaren maar de verdachte [naam 3] is in dit specifieke geval meer dan vermoedelijk degene die de bevraging verrichtte. Uit rechtens verkregen logfiles van het MKS systeem van de gemeente Amsterdam blijkt dat er onder gebruikmaking van de username [username 2] op 26 januari 2025 meerdere bevragingen zijn verricht, waarbij de eerste bevraging plaatsvond middels een zoekvraag op de naam [naam 1] en de geboortedatum [geboortedatum 2] . De
gebruikersnaam [username 2] is door de gemeente Amsterdam toegekend aan verdachte [naam 3] en betreft tevens een verwijzing naar zijn achternaam, waardoor aangenomen kan worden dat [naam 3] de enige gebruiker is geweest van dit account.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde
6. De hierboven onder 2 en 3 vermelde bewijsmiddelen, voor zover de verklaringen van de verdachte betrekking hebben op het onder 2 bewezenverklaarde;
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2025 betreffende het uitgewerkte verhoor van de verdachte [naam 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 585-604):
Ik heb een auto. Ik moest op 27 januari 2025 van Almere naar Den Haag rijden. Ik moest [verdachte] in Almere ophalen. Hij zat die dag bij mij in de auto. Hij wilde naar Den Haag. We zijn naar Den Haag gereden. Ik had van hem een adres gekregen waar ik heen moest rijden. Hij zei: hier kun je parkeren. Hij is uitgestapt. Ik heb gewacht. Hij kwam teruglopen en stapte weer in. Hij zei: “diegene was er niet. Kunnen we morgen nog een keer.” Ik ben teruggereden.
Bewijsoverwegingen
Feit 1 primair: medeplegen van poging tot moord
(Voorwaardelijk) opzet op de dood
De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van opzet op de dood, ook niet in voorwaardelijke zin, omdat de verdachte gericht op de benen van [slachtoffer] heeft geschoten en niet op andere lichaamsdelen.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot moord moet volgens vaste rechtspraak sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.
Op 28 januari 2025 heeft de verdachte in Den Haag meermalen met een vuurwapen op
[slachtoffer] geschoten. De verdachte heeft in de garage de eerste schoten gelost, waarna hij en het slachtoffer buiten zijn terechtgekomen. Buiten de garage heeft de verdachte het vuurwapen opnieuw afgedrukt, hetgeen hij ter terechtzitting heeft bekend. Uit de verklaring van het slachtoffer volgt dat de verdachte het vuurwapen op het bovenlichaam van het slachtoffer heeft gericht. Dit vindt steun in de camerabeelden, die de rechtbank ter terechtzitting heeft waargenomen. De rechtbank heeft voorts op de beelden waargenomen dat het slachtoffer bewegend op de grond lag, terwijl de verdachte het vuurwapen op hem gericht had. Gedurende het schieten had de verdachte een telefoon in zijn linkerhand. Hij schoot dus slechts met één hand. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het misdrijf moest filmen en nog nooit eerder had geschoten. Het slachtoffer is in zijn been geraakt en heeft daardoor onder meer een schotverwonding in de rechterknie met een beenbreuk opgelopen.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er een aanmerkelijke kans was dat de verdachte het slachtoffer dodelijk in zijn bovenlichaam/borst zou raken en dat zijn gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Daarbij betrekt de rechtbank in het bijzonder de omstandigheden dat de verdachte, een ongeoefende schutter, het wapen slechts met één hand vasthield, op het bovenlichaam/de borst van het slachtoffer heeft gericht terwijl hij met zijn andere hand het slachtoffer filmde en het slachtoffer en hijzelf allebei bewogen. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij de opdracht had om op de benen te schieten, om die reden niet als contra-indicatie voor opzet op de dood.
Het tenlastegelegde opzet op de dood is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Voorbedachte raad
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
Op 26 januari 2025 heeft een Amsterdamse ambtenaar meermalen gezocht naar gegevens over [naam 1] , de baas van het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam 1] het beoogde doelwit van het schietincident was. De verdachte heeft de opdracht gekregen om een persoon, werkzaam in [bedrijf] , in zijn benen te schieten en heeft daartoe een omschrijving en een foto van het beoogde doelwit gezien. Ter uitvoering van dit plan is de verdachte eerst op 27 januari 2025 bij de garage langs gegaan. De verdachte heeft verklaard toen niemand bij de garage gezien te hebben en is zonder de opdracht te voldoen weer naar huis gegaan. Op 28 januari 2025 is de verdachte wederom naar [bedrijf] gegaan en is de verdachte tot twee keer toe de garage in en uit gelopen, zonder hierbij de opdracht uit te voeren. Pas de derde keer, nadat de verdachte naar eigen zeggen het ‘niet-niet kon doen’ heeft hij daadwerkelijk geschoten.
Gelet op het feit dat de verdachte voorafgaand aan de uitvoering van de opdracht een beschrijving en foto van het beoogde doelwit heeft gezien, op 27 januari 2025 bij de garage langs is gegaan en op 28 januari 2025 meerdere keren is teruggekeerd, waarbij hij eerst naar het kantoor van [naam 1] liep, is de rechtbank van oordeel dat het plan bestond om [naam 1] te beschieten.
De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Persoonsverwisseling
Zoals hiervoor is overwogen was er een plan om op [naam 1] te schieten en zijn hiertoe ook voorbereidingen getroffen. Door een vergissing is echter [slachtoffer] het slachtoffer van dit vooropgezette plan geworden. Gelet op de hiervoor omschreven gedragingen, specifiek dat de verdachte heeft verklaard dat hij slechts de algemene omschrijving ‘Turkse man met baard’ en een wazige foto van het beoogde slachtoffer heeft gezien, is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op de mogelijkheid dat een ander dan [naam 1] zou worden beschoten, dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat iemand aan de verdachte de opdracht heeft gegeven om het beoogde slachtoffer te beschieten. De verdachte heeft verklaard dat hij een omschrijving van het beoogde doelwit had gekregen. Daarnaast heeft hij een foto gezien van de persoon die hij moest neerschieten. Hij moest het bewezenverklaarde filmen. Het wapen had hij op de 27e januari gekregen. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat de onbekend gebleven opdrachtgever een rol als medepleger heeft gespeeld.
De rechtbank kan niet vaststellen dat [naam 2] , die de verdachte op 27 en 28 januari 2025 steeds heeft vervoerd van en naar Den Haag, de opdrachtgever is geweest. Over zijn aandeel in het gebeurde en de vraag of dat voldoende is om aan te nemen dat hij als medepleger van de door de verdachte uitgevoerde poging tot moord kan worden aangemerkt, overweegt de rechtbank dat daarvoor zou zijn vereist dat [naam 2] zowel opzet heeft gehad op de nauwe en bewuste samenwerking als op de verwezenlijking van het tenlastegelegde grondfeit. In dit geval zou dan, gelet op de tenlastelegging, uit de bewijsvoering moeten kunnen volgen dat het opzet van [naam 2] erop was gericht om tezamen en in vereniging het slachtoffer van het leven te beroven, kort gezegd door hem te beschieten met een wapen. Daartoe moet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat de medeverdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen en de mogelijkheid dat de verdachte het zou gebruiken zoals bewezenverklaard. De rechtbank is van oordeel dat het dossier daarvoor geen aanknopingspunten bevat. Daarom merkt zij [naam 2] niet als medepleger aan.
Op grond van het hiervoor overwogene en de onder 3.3. genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, heeft geprobeerd [slachtoffer] te vermoorden. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde.
Feit 2: voorbereiding poging tot moord
Zoals eerder overwogen staat voor de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen vast dat sprake was van een vooropgezet plan om te schieten op [naam 1] en dat daartoe voorbereidingen zijn getroffen. Gelet op het schietincident van 28 januari 2025 staat vast dat de voorhanden middelen bestemd waren voor het plegen van een misdrijf en dat de verdachte een misdadig doel voor ogen had. Uit de beoordeling van feit 1 volgt bovendien dat de verdachte hiervan wetenschap had en hieraan actief heeft bijgedragen.
Op grond van het hiervóór overwogene en de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, voorbereidingen heeft getroffen voor een poging om [naam 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 primair en 2 impliciet primair tenlastegelegde van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 28 januari 2025 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven
- naar Den Haag en [bedrijf] is gereden en - een wapen heeft getrokken en - dit wapen heeft gericht op het lichaam van die [slachtoffer] en daarbij meerdere malen de trekker heeft overgehaald en - [slachtoffer] in het been heeft geschoten,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij in de periode van 26 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, te weten een poging tot het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [naam 1] ,
opzettelijk voorwerpen en een vervoermiddel, te weten
een geladen vuurwapen en
een (personen)auto voor het doen van een voorverkenning en het vervoeren van hem, verdachte, naar de plaats waar voornoemde [naam 1] zich bevond en
een foto van die [naam 1]
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Vrijwillige terugtred
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit sprake is van vrijwillige terugtred. De verdachte zou zijn gedwongen tot het uitvoeren van de opdracht, te weten het schieten in de benen. Hierdoor zouden bij de verdachte gewetensbezwaren zijn ontstaan, waarna hij uit eigen beweging op 27 januari 2025 (de dag dat de opdracht in eerste instantie zou moeten worden uitgevoerd) heeft afgezien van de uitvoering van het voorgenomen misdrijf.
De raadsman heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens vrijwillige terugtred.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van vrijwillige terugtred. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij het misdrijf niet eerder heeft gepleegd omdat er op de beoogde locatie niemand aanwezig was. De officier van justitie ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat er van vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Voor het aannemen van vrijwillige terugtred in het geval van voltooide voorbereidingshandelingen is een zodanig actief optreden van de verdachte vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is om het plegen van het voorbereide misdrijf te beletten. Bij de vraag of de verdachte vrijwillig is teruggetreden in het onderhavige geval, komt daarom betekenis toe aan de mate waarin de verdachte zich uit eigen wil heeft ingespannen om actief handelend de voltooide voorbereiding ongedaan te maken en aldus er blijk van heeft gegeven dat het vermoeden van kwade bedoelingen niet langer aan de orde is.
Uit het dossier volgt dat de verdachte op 27 januari 2025 naar de beoogde locatie is gegaan. Uit zijn verklaring bij de politie volgt dat op dat moment niemand aanwezig was, waarna hij is weggegaan. Op 28 januari 2025 heeft de verdachte zich wederom naar dezelfde locatie begeven en het misdrijf - poging tot moord - alsnog voltooid. Er zijn de rechtbank, gelet op het voorgaande, geen omstandigheden gebleken die naar de uiterlijke verschijningsvorm erop wijzen dat de verdachte tijdens de voorbereidingshandelingen tot inkeer is gekomen en er vervolgens actief voor heeft gezorgd dat het plegen van het voorbereide misdrijf niet meer mogelijk was. Van vrijwillige terugtred is daarom geen sprake. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie acht toepassing van het jeugdstrafrecht niet aangewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien wordt overgegaan tot een strafoplegging, toepassing moet worden gegeven aan het jeugdstrafrecht. Daartoe heeft hij aangevoerd dat bij de straftoemeting rekening dient te worden gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van het delict.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging moord en aan het medeplegen van voorbereiding van een poging tot moord. Gelet op hetgeen eerder is overwogen, heeft de verdachte op een berekenende wijze gehandeld. De verdachte heeft aldus geprobeerd het slachtoffer zijn meest fundamentele recht, het recht op leven, te ontnemen. Uiteindelijk is door het handelen van de verdachte de verkeerde persoon,
[slachtoffer] , ernstig gewond geraakt. Het is voor het slachtoffer een zeer beangstigende ervaring geweest. Dit blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring, waarin het slachtoffer heeft beschreven dat hij nog steeds lichamelijke en psychische problemen ervaart. Uit de vordering tot schadevergoeding blijkt ook dat hij blijvend lichamelijk letsel heeft. Het slachtoffer moest als gevolg van het schietincident worden geopereerd aan zijn rechterknie, waardoor platen en schroeven in zijn knie zijn geplaatst. Het slachtoffer ondervindt nog altijd klachten aan zijn knie.
De verdachte heeft met zijn handelen ervan blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van het beoogde en het daadwerkelijke slachtoffer. Met zijn handelen heeft de verdachte ook de samenleving geschokt. Dit soort incidenten zorgen voor grote onrust en een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De poging moord heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag en is door veel omstanders gehoord en gezien. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft rekening gehouden met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 15 januari 2026. Daaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, onder meer tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 26 februari 2026. Daaruit volgt dat sprake is van problematiek op verschillende vlakken, hetgeen door de reclassering als criminogeen en risicoverhogend wordt aangemerkt. Verder is volgens de reclassering sprake van een gemiddeld recidiverisico. Bij een bewezenverklaring wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen, onder meer omdat de verdachte leeftijdsadequaat zou handelen en de toepassing van het volwassenenstrafrecht zou kunnen bijdragen aan het creëren van meer zelfstandigheid.
Geen toepassing ASR
De rechtbank zal geen toepassing geven aan het jeugdstrafrecht, zoals de raadsman heeft bepleit. De verdachte was ten tijde van het strafbare feit 21 jaar. Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter besluiten voor een jongvolwassene jeugdsancties toe te passen, indien daartoe aanleiding wordt gezien in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.
De rechtbank stelt voorop dat de verdachte eerder is veroordeeld met toepassing van het volwassenenstrafrecht. Zoals eerder overwogen, adviseert de reclassering de toepassing van het volwassenenstrafrecht. De verdachte begeeft zich volgens de reclassering in een pro crimineel sociaal netwerk waarin het plegen van gewelddadige feiten genormaliseerd is. Hij verricht gedragingen die anderen en de samenleving schaden en neemt daarvoor slechts marginaal verantwoordelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde naadloos past in die vaststellingen. Zij ziet daarom geen enkele aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht.
Voortgezette handeling
De verdachte heeft zich naast de poging tot moord op [slachtoffer] tevens schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een poging tot moord op [naam 1] . De rechtbank is in deze zaak echter van oordeel dat de twee strafbare feiten als voortgezette handeling van elkaar moeten worden gezien.
Strafoplegging
Binnen de rechtspraak bestaan voor poging tot moord en voorbereidingshandelingen hiertoe geen landelijke oriëntatiepunten. Hoewel zaken zich moeilijk laten vergelijken, heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf gekeken naar vergelijkbare zaken. Het plegen van een (poging tot) moord behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. De maximale gevangenisstraf voor een poging tot moord is 20 jaar. De rechtbank is van oordeel dat, vanwege de ernst van de gepleegde strafbare feiten en wat zij hiervoor heeft overwogen, alleen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook passend en geboden is.
In het geval van de verdachte weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat de verdachte de schutter is geweest en zich zeer onverschillig heeft getoond. De op te leggen straf dient ter vergelding van het feit dat de verdachte heeft geprobeerd het meest fundamentele recht van een mens, het leven, te ontnemen.
De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij in enige mate openheid van zaken heeft gegeven.
Gelet op de opgelegde gevangenisstraffen in recente en vergelijkbare zaken waarin medeplegen van poging tot moord is bewezenverklaard, acht de rechtbank een lagere gevangenisstraf op zijn plaats dan geëist.
De rechtbank is, alles overwegende, van oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar, met aftrek van het voorarrest, moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr
Door mr. J. Klein-Molekamp is namens [slachtoffer] verzocht om een contactverbod op te leggen op grond van artikel 38v Sr. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 81.739,41, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 25.489,41 aan materiële schade, te weten een ziekenhuisvergoeding, kosten voor medicatie, verlies van verdienvermogen en kosten voor de fysiotherapeut. Het bedrag bestaat verder nog uit
€ 56.250,00 aan immateriële schade, op grond van lichamelijk letsel en psychisch letsel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering tot vergoeding van misgelopen inkomen af te wijzen, nu dit volgens de verdediging voortvloeit uit illegale werkzaamheden. Ten aanzien van het overige deel van de vordering heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging met betrekking tot de vordering voor de vergoeding van misgelopen inkomsten. De stelling dat iemand die illegaal werkt geen misgelopen inkomsten kan vorderen, vindt geen steun in het recht. De benadeelde partij werkte in de garage en is door de gevolgen van het incident inkomsten misgelopen, zodat compensatie daarvan op zijn plaats is.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de vordering voldoende onderbouwd. Afgezien van het genoemde verweer, heeft de verdediging de vordering niet inhoudelijk betwist. De vordering zal volledig worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 81.739,41, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36 f, 45, 46, 47, 56, 289 van het Wetboek van Strafrecht
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 impliciet primair tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
de voortgezette handeling van
medeplegen van voorbereiding van poging tot moord
en
medeplegen van poging tot moord;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij:
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van bedrag van
€ 81.739,41, bestaande uit € 25.489,41 aan materiële schade en € 56.250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
de schadevergoedingsmaatregel:
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van
[slachtoffer] , van een bedrag van € 81.739,41, bestaande uit € 25.489,41 aan materiële schade en € 56.250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 312 (driehonderdtwaalf) dagen; de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de
benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de
Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. J.M.J. Keltjens, rechter,
mr. I. Jadib, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.B. Pluim en mr. A.C. Veltink, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2026.