RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11440
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
Procesverloop
De minister heeft op 19 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 31 oktober 2025. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 14 januari 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 maart 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 13 januari 2026.
Geen zitting
2. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van eiser is ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de bewaring. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. De voortgangsrapportage geeft geen inzicht in de contacten tussen de minister en de autoriteiten van Gambia. Ook is de voortgangsrapportage niet up to date, nu eiser in persoon is gepresenteerd bij de Gambiaanse autoriteiten.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door op 29 januari en 19 februari 2026 schriftelijk te rappelleren bij de Gambiaanse autoriteiten op de status van de aanvraag om een laissez-passer (lp) en het voeren van vertrekgesprekken op 21 januari en 16 februari 2026. Dat de voortgangsrapportage geen inzicht geeft in de contacten tussen de minister en de Gambiaanse autoriteiten, leidt niet tot een ander oordeel. Op 6 maart 2026 heeft de minister – op verzoek van de rechtbank – per brief laten weten dat de geplande presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten op 26 februari 2026 heeft plaatsgevonden. De minister geeft aan dat de Gambiaanse autoriteiten nog niets konden zeggen over de nationaliteit van eiser, omdat dit geverifieerd moet worden bij de centrale autoriteiten. Dat, zoals eiser stelt, de Gambiaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser hebben erkend, wordt dus niet gevolgd. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Gambiaanse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
4. Eiser is op 26 februari 2026 in persoon gepresenteerd bij de Gambiaanse autoriteiten. Hij betoogt dat de verificatie van eisers nationaliteit na de presentie in persoon redelijkerwijs twee weken mag duren, voordat het zicht op uitzetting komt te vervallen. Eiser heeft daarom verzocht om aanhouding, om de minister na het verstrijken van deze twee weken (op 12 maart 2026) om een nadere reactie hierover te vragen.
De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn bestaat.Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. Dat eisers nationaliteit nog niet is bevestigd door de centrale autoriteiten in Gambia, leidt niet tot een ander oordeel. De minister is immers afhankelijk van de medewerking van de Gambiaanse autoriteiten en mag de tijd worden gegund om op hun reactie te wachten. Bovendien hebben de Gambiaanse autoriteiten niet te kennen gegeven geen lp af te geven voor eiser. De beroepsgrond slaagt niet en de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van het beroep van eiser aan te houden.
Belangenafweging en lichter middel
5. Eiser voert aan dat, gelet op de duur van de inbewaringstelling, een belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Niets verzet zich tegen de oplegging van een lichter middel.
De rechtbank overweegt dat in beginsel gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen. Voor wat betreft eiser aanvoert over het opleggen van een lichter middel, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen, waardoor de minister moest overgaan tot het opleggen van een lichter middel. Het aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde risico van onttrekking is onverminderd van toepassing. Hierbij verwijst de rechtbank naar het verslag van het vertrekgesprek van 21 januari 2026, waaruit kan worden opgemaakt dat eiser niet voornemens is terug te keren naar Gambia. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.