RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/686448 / HA ZA 25-508
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
1. BEL HOLDING B.V. te Oss,2. FEIF B.V. te Oss,
eiseressen,
advocaten: mr. P.A.J. Huijbregts en mr. B.J.P. Middelkamp,
tegen
1. [gedaagde sub 1] B.V. te [plaats] ,
2. [gedaagde sub 2] te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. J.C. Debije.
Eiseressen worden hierna afzonderlijk Bel Holding en Feif en gezamenlijk Bel Holding c.s. genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en gezamenlijk [gedaagden] c.s. genoemd.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 17 juni 2025 met producties 1 t/m 30; - de conclusie van antwoord van [gedaagden] c.s. met producties 1 en 2; - de akte wijziging eis van Bel Holding c.s. van 3 oktober 2025 met producties 31 t/m 41; en
- de akte aanvullende productie tevens wijziging eis van Bel Holding c.s. van 21 oktober 2025 met producties 42 t/m 46.
Op 1 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2. De feiten
Bel Holding en Feif zijn aan elkaar gelieerde vennootschappen. [gedaagde sub 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 1] .
Bel Holding c.s. hebben financieringen verstrekt aan [gedaagden] c.s. Door middel van deze geleende bedragen kon [gedaagden] c.s. een aantal panden verwerven waarvan zij tot dan toe slechts mede-eigenaar was.
In 2022 en 2023 heeft Bel Holding in totaal € 1.190.000 geleend aan [gedaagde sub 1] . Voor een deel van dit bedrag stond [gedaagde sub 2] persoonlijk borg. In 2023 heeft Feif € 960.000 geleend aan [gedaagde sub 2] . Voor deze geldleningen zijn aan Bel Holding c.s. eenmalige afsluitvergoedingen betaald van in totaal € 115.000.
De aflossing van de geldleningen verliep moeizaam. Ten aanzien van de restantvorderingen hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt.
In een addendum van 21 november 2024 is tussen [gedaagde sub 1] , Bel Holding en [gedaagde sub 2] – voor zover hier relevant – het volgende overeengekomen:
Schuldenaar [= [gedaagde sub 1] , rb.] lost op 21 november 2024 een bedrag van
€ 463.504,61 af op lening 2023/11/01. Hierdoor ontstaat een restschuld van € 94.967,89.
(…)
Schuldeiser [= Bel Holding c.s., rb.] en Schuldenaar zijn overeengekomen dat de te betalen rente vanaf 16 september 2024 is verhoogd naar 13,5%. Schuldenaar is deze rente verschuldigd over het nog openstaande bedrag tot aan de dag der algehele voldoening.
(…)
Schuldenaar en [gedaagde sub 2] verplichten zich om, uiterlijk op 21 november 2024, ten behoeve van Schuldeiser een pandrecht te doen vestigen op de overwaarde van de volgende aan [gedaagde sub 2] toebehorende onroerende zaken:
(i) [adresreeks 1] ;
(ii) [adresreeks 2] .
In een pandakte van 21 november 2024 tussen dezelfde partijen is – voor zover hier relevant – het volgende vastgelegd:
Tot meerdere zekerheid voor de betaling of teruggave van al hetgeen Pandgevers [= [gedaagden] c.s., rb.] aan Pandhouder [Bel Holding, rb.] nu of te eniger tijd schuldig mochten zijn of worden uit welke hoofde dan ook, verpanden Pandgevers aan Pandhouder de Vorderingen, die deze verpanding aanvaardt. Partijen beogen bij deze pandakte alle bestaande en toekomstige Vorderingen te verpanden.
Vestiging van deze pandrechten geschiedt - voor wat betreft toekomstige Vorderingen zoveel mogelijk bij voorbaat - door ondertekening van deze pandakte en mededeling hiervan aan de schuldenaren van Pandgevers of de notaris(sen).
(…)
De verpanding van de Vorderingen geschiedt voorts op de volgende voorwaarden:
(…)
(i) Zodra bekend is welke notaris betrokken is bij de verkoop van een onroerende zaak van
Pangevers, delen zij dit binnen 24 uur mede aan Pandhouder, op straffe van een direct
opeisbare boete van € 50.000,-;
(…)
Alle door Pandhouder redelijkerwijs gemaakte buitengerechtelijke en de gerechtelijke (incasso)kosten, om de rechten uit hoofde van deze pandakte uit te oefenen, zijn voor rekening van Pandgevers en Pandgevers zullen Pandhouder daarvoor op het eerste verzoek van Pandhouder, mits tegen overlegging van daarop betrekking hebbende bescheiden, binnen een termijn van 14 (veertien) werkdagen, volledig schadeloos stellen.
In een addendum van 24 december 2024 is tussen Feif en [gedaagde sub 2] – voor zover hier relevant – het volgende overeengekomen:
Schuldenaar lost op 30 december 2024 een bedrag van € 960.000, - af op lening
2023/10/01. Hierdoor ontstaat een restschuld van € 95.430,75.
(…)
Schuldeiser en Schuldenaar zijn overeengekomen dat de te betalen rente vanaf 16
september 2024 is verhoogd naar 13,5%. Schuldenaar is deze rente verschuldigd over het
nog openstaande bedrag tot aan de dag der algehele voldoening.
(…)
[gedaagde sub 2] c.s. [= [gedaagde sub 2] , zijn vrouw en zijn zoon, rb.] verplichten zich om, uiterlijk op 30 december 2024, ten behoeve van Schuldeiser een pandrecht te doen vestigen op de overwaarde van de volgende aan [gedaagde sub 2] [= [gedaagde sub 2] , rb.] toebehorende onroerende zaken:
(i) [adresreeks 1] ;
(ii) [adres 1] .
In een pandakte van 24 december 2024 tussen dezelfde partijen is – voor zover hier relevant – het volgende overeengekomen:
De pandrechten, die zijn gevestigd bij pandakte van 21 november 2024 (zie bijlage 1 van dit addendum), strekken ook tot zekerheid voor alle vorderingen die Pandhouder 2 op
[gedaagde sub 2] c.s. heeft of zal verkrijgen, uit welke hoofde dan ook.
Alle bepalingen van de pandakte van 21 november 2024 zijn van toepassing op de
rechtsverhouding tussen Pandhouder 2 en [gedaagde sub 2] c.s.
Ten aanzien van vier panden heeft [gedaagden] c.s. verzuimd om (tijdig) aan Bel Holding c.s. te melden welke notaris bij de verkoop van het pand zou zijn betrokken, namelijk de panden aan de volgende adressen:
[adres 2] ;
[adres 1] ;
[adres 3] ;
[adres 4] .
Bel Holding c.s. heeft conservatoir beslag gelegd ten laste van [gedaagden] c.s.
De door Bel Holding aan [gedaagde sub 1] verstrekte geldlening is op 29 april 2025 afgelost.
3. Het geschil
Bel Holding vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 211.669,77, vermeerderd met rente en kosten.
Feif vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 2] veroordeelt tot betaling van € 298.500,56, vermeerderd met rente en kosten.
Bel Holding c.s. legt aan deze vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. Allereerst staat nog een deel van de geldlening open die Feif heeft verstrekt aan [gedaagde sub 2] . Daarnaast is [gedaagden] c.s. vier keer tekortgeschoten in haar verplichting om Bel Holding c.s. mee te delen dat een notaris bekend was bij de verkoop van een onroerende zaak van [gedaagden] c.s. Daardoor zijn contractuele boetes opeisbaar geworden. Tot slot is [gedaagden] c.s. op grond van de pandaktes (buiten)gerechtelijke kosten verschuldigd.
[gedaagden] c.s. voert verweer. Zij concludeert tot gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van Bel Holding c.s., met veroordeling van Bel Holding c.s. in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Geldlening
Van de geldlening die Feif aan [gedaagde sub 2] heeft verstrekt staat nog een deel open. Hoewel verschillende bedragen zijn genoemd, bleek tijdens de mondelinge behandeling dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde sub 2] op 15 juli 2025 nog € 55.997,02 verschuldigd was. Dit bedrag kan dus worden toegewezen, te vermeerderen met de contractuele rente van 13,5% vanaf die datum.
Contractuele boetes
[gedaagden] c.s. was verplicht om binnen 24 uur nadat bekend werd welke notaris betrokken zou zijn bij de levering van een pand van [gedaagden] c.s., dit mee te delen aan Bel Holding c.s. [gedaagden] c.s. heeft erkend dat zij dit in drie gevallen geheel heeft verzuimd en in één geval te laat heeft gedaan. Zij is dus tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Omdat aan de meldplicht een concrete termijn was verbonden is [gedaagden] c.s. ook in verzuim geraakt. Dit betekent dat [gedaagden] c.s. op grond van de pandakte telkens een direct opeisbare boete van € 50.000,00 per keer verschuldigd is geraakt.
[gedaagden] c.s. heeft ten aanzien van twee boetes betoogd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om daarop aanspraak te maken dan wel dat dit misbruik van recht oplevert:
- ten aanzien van het pand [adres 1] : de melding is te laat gedaan (namelijk op 5 augustus 2025), maar omdat de verkoopopbrengst werd aangewend om de vordering van een derde partij (die beslag had gelegd op de woning) te voldoen, had Bel Holding ook bij een tijdige melding achter het net gevist;
- ten aanzien van het pand [adres 3] : hier is inderdaad geen melding gedaan, maar de overwaarde is na levering alsnog betaald aan Bel Holding c.s., zodat zij geen enkel belang heeft bij het vorderen van de contractuele boete.
Dit betoog faalt. Partijen hebben een duidelijke afspraak gemaakt, die [gedaagden] c.s. eenvoudig had kunnen nakomen. Om haar zekerheidsrecht uit te kunnen winnen was Bel Holding c.s. afhankelijk van de melding van [gedaagden] c.s. over de betrokken notaris, zodat Bel Holding c.s. zich bij die notaris kon melden. Dat een tijdige melding geen verschil had gemaakt ( [adres 1] ) of hetzelfde resultaat had gehad ( [adres 3] ) laat onverlet dat [gedaagden] c.s. die verplichting gewoon had moeten nakomen. Het is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Bel Holding c.s. vervolgens aanspraak maakt op de contractuele boetes. Het levert ook geen misbruik van recht op. Wel kunnen de genoemde omstandigheden worden betrokken bij de vraag of de boetes moeten worden gematigd.
[gedaagden] c.s. heeft een beroep gedaan op matiging van de boetes. De rechtbank ziet inderdaad redenen om de boetes te matigen. Hoewel Bel Holding c.s. terecht heeft aangevoerd dat [gedaagden] c.s. zich gewoon had moeten houden aan de contractuele afspraken, staat de omvang van de verbeurde boetes naar het oordeel van de rechtbank inmiddels niet meer in verhouding tot de ernst van de tekortkoming. Dat komt voor een belangrijk deel door het feit dat de boetes cumulatief zijn gevorderd: Bel Holding en Feif vorderen beide een boete naar aanleiding van dezelfde tekortkoming. Daardoor wordt voor één tekortkoming de facto een boete van € 100.000 gevorderd. Daar komt bij dat [gedaagden] c.s. in de afgelopen jaren – naast de aflossingen – al grote bedragen heeft betaald aan afsluitvergoedingen, een stevige contractuele rente en alle invorderingskosten. Verder is het maar de vraag hoe hoog de werkelijke schade is. Die is moeilijk vast te stellen, omdat daarvoor moet worden ingeschat of de openstaande vordering eerder was voldaan als [gedaagden] c.s. tijdig had gemeld en wat van die vertraging het financiële nadeel is. In dit verband heeft [gedaagden] c.s. onweersproken gesteld dat de contractuele rente van 13,5% en de betaalde afsluitvergoedingen ook al een vergoeding vormen voor het investeringsrisico van Bel Holding c.s. en voor eventuele vertraging in de aflossing. In het geval van Bel Holding geldt tot slot dat de geldlening sinds 29 april 2025 al volledig is afbetaald en dat de openstaande schuld aan Bel Holding sinds die datum alleen nog bestond uit de eerste boete, op grond waarvan later de andere boetes verschuldigd zijn geraakt. In zoverre vormen die boetes geen prikkel meer tot nakoming van de geldleningsovereenkomst en hebben zij alleen nog een punitief karakter.
Partijen hebben zich niet uitgelaten over de vraag tot welk bedrag de boetes zouden moeten worden gematigd. Evenmin hebben ze zich uitgelaten over de hoogte van de schade die op grond van de wet verschuldigd zou zijn. De rechtbank zal de verbeurde boetes daarom naar billijkheid matigen tot 10% van het boetebedrag per overtreding, dus 4 x € 5.000. Dat betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk zullen zijn verbonden tot betaling van € 20.000 aan Bel Holding c.s. Het is aan Bel Holding en Feif hoe dit bedrag onderling wordt verdeeld.
Buitengerechtelijke kosten, beslagkosten, proceskosten
Bel Holding c.s. vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten op grond van artikel 4 van de pandakte. Het gaat om bedragen van € 11.077,67 (Bel Holding) en € 37.288,31 (Feif). Ter onderbouwing heeft Bel Holding c.s. de facturen overgelegd die zij heeft ontvangen van haar advocaten.
Op grond van artikel 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de rechter de bevoegdheid om de buitengerechtelijke kosten en proceskosten ambtshalve te matigen, ook al is vergoeding hiervan door partijen bedongen of afgesproken. De proceskosten kunnen niet verder gematigd worden dan tot het forfaitaire bedrag waarop de rechter de proceskosten vaststelt overeenkomstig artikel 237 Rv (in beginsel: het liquidatietarief). De buitengerechtelijke incassokosten die niet onder de proceskosten vallen kan de rechter matigen tot het bedrag van een redelijke schadeloosstelling.
De rechtbank ziet redenen om de gevorderde vergoeding te matigen. Allereerst blijkt uit de overgelegde tijdspecificaties dat aan dit dossier bovenmatig veel tijd is besteed, zonder dat voor die tijdsbesteding een duidelijke onderbouwing gegeven is. Aan het opstellen van een beslagkrekest zijn ruim 25 uren besteed, door meerdere advocaten van hetzelfde kantoor, terwijl ook intern overleg en vergeefs bestede tijd (‘gisteren document verloren gegaan door systeemfout’) in rekening zijn gebracht. Vervolgens zijn aan de dagvaarding, die voor een groot deel gelijk is aan het beslagrekest, opnieuw 18 uren besteed. Bij dit alles had Bel Holding c.s. naar het oordeel van de rechtbank rekening moeten houden met de belangen van [gedaagden] c.s. als schuldenaar, bij wie deze kosten in rekening worden gebracht. Op dit punt is mede van belang dat [gedaagden] c.s. de contractuele afspraken en de verschuldigdheid van de boetes niet heeft betwist. Deze zaak is daardoor een redelijk overzichtelijke incassozaak gebleven. Bel Holding c.s. heeft niet toegelicht waarom desondanks een dergelijke tijdbesteding gerechtvaardigd was, terwijl artikel 4 van de pandakte voorschrijft dat alle ‘redelijkerwijs’ gemaakte kosten voor rekening zijn van [gedaagden] c.s. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding die toets niet geheel kan doorstaan.
Daar komt bij dat een deel van de gevorderde vergoeding ziet op tijdsbesteding van advocaten in de periode van 1 april 2025 t/m 31 mei 2025. [gedaagden] c.s. heeft onweersproken gesteld dat zij op 14 juli 2025 een betaling heeft gedaan van € 36.924,58 die onder meer in mindering strekte op de tot dan toe verschenen kosten. Bel Holding c.s. heeft niet duidelijk gemaakt waarom in deze procedure alsnog aanspraak kan worden gemaakt op kosten die vóór die datum zijn gemaakt. Het is niet de bedoeling dat [gedaagden] c.s. de invorderingskosten dubbel betaalt. Uit het dossier blijkt niet welke kosten nog openstaan. Deze onduidelijkheid heeft ook tot gevolg dat de rechtbank niet kan vaststellen welke kosten vallen onder buitengerechtelijke kosten en welke onder proceskosten.
In dit alles ziet de rechtbank aanleiding om zowel de buitengerechtelijke kosten als de proceskosten te matigen tot de gebruikelijke tarieven.
De buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten zullen worden berekend op grond van het toegewezen deel van het toegewezen deel van de hoofdsom (€ 55.997,02 + € 20.000 = € 75.997,02), omdat de vorderingen voor een groot deel worden afgewezen.
De rechtbank stelt de vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten met toepassing van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten vast op € 1.534,97.
De vordering tot vergoeding van beslagkosten is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op (€ 592,10 + € 294,98 =) € 887,08 voor de deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 1.214 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 1.214), totaal € 2.815,08.
[gedaagden] c.s. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Bel Holding c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
246,32
(betekening aan twee gedaagden)
- griffierecht
€
6.147,00
(exclusief griffierecht beslag)
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.999,32
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5. De beslissing
De rechtbank:
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Feif te betalen een bedrag van € 55.997,02, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 13,5% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 juli 2025, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan Bel Holding c.s. te betalen een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan Bel Holding c.s. te betalen een bedrag van € 1.534,97 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.815,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 8.999,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.